Warning: "continue" targeting switch is equivalent to "break". Did you mean to use "continue 2"? in /customers/7/c/7/rievoe.be/httpd.www/vlh/wp-content/plugins/revslider/includes/operations.class.php on line 2695 Warning: "continue" targeting switch is equivalent to "break". Did you mean to use "continue 2"? in /customers/7/c/7/rievoe.be/httpd.www/vlh/wp-content/plugins/revslider/includes/operations.class.php on line 2699 Warning: "continue" targeting switch is equivalent to "break". Did you mean to use "continue 2"? in /customers/7/c/7/rievoe.be/httpd.www/vlh/wp-content/plugins/revslider/includes/output.class.php on line 3581 Schorsingstucht – VLH

Schorsingstucht

/Schorsingstucht
Schorsingstucht 2021-10-12T10:58:21+02:00

Het Besluit van de Vlaamse regering van 22 mei 1991 omtrent de preventieve schorsing en de tucht, alsmede omtrent het ontslag van sommige tijdelijke personeelsleden in het gesubsidieerd onderwijs en in de gesubsidieerde psycho-medisch-sociale centra, zoals gewijzigd;

Besluit van de Vlaamse Regering van 22 mei 1991 omtrent de preventieve schorsing en de tucht, alsmede omtrent het ontslag van sommige tijdelijke personeelsleden in het gesubsidieerd onderwijs en in de gesubsidieerde psycho-medisch-sociale centra.

http://www.ond.vlaanderen.be/edulex/database/document/document.asp?docid=12655

goedkeuringsdatum :
22 MEI 1991

publicatiedatum :
B.S.27/07/1991

(opschrift gewijzigd bij B.Vl.R. 15-9-2000)

COORDINATIE

B.Vl.R. 30-5-1996 – B.S. 19-7-1996
B.Vl.R. 13-1-1998 – B.S. 26-2-1998
B.Vl.R. 15-9-2000 – B.S. 30-12-2000

De Vlaamse Regering,

Gelet op het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde psycho-medisch-sociale centra, inzonderheid op de artikelen 24, 67, 68, 70, 71 en 72;
Gelet op het akkoord van de Gemeenschapsminister van Financiën en Begroting, gegeven op 3 april 1990;
Gelet op het protocol van 13 december 1990 houdende de conclusies van de onderhandelingen die werden gevoerd in het Comité van Provinciale en Plaatselijke overheidsdiensten, afdeling 2;
Gelet op het advies van de Raad van State;
Op de voordracht van de Gemeenschapsminister van Onderwijs;
Na beraadslaging,

Besluit :

HOOFDSTUK I. – Inleidende bepalingen

Artikel 1.

[Voor de toepassing van dit besluit wordt begrepen onder :

1° het decreet : het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding;
2° raadsman : een advocaat, een personeelslid van de onderwijsinstellingen of van de centra voor leerlingenbegeleiding of wat de werknemer betreft, een vertegenwoordiger van een vakorganisatie en wat de werkgever betreft, een vertegenwoordiger van een overkoepelende vereniging van inrichtende machten;
3° vakorganisaties :
a) voor het vrij onderwijs en de vrije centra voor leerlingenbegeleiding de vakorganisaties die zitting hebben in de paritaire comités, bedoeld in artikel 2 van het decreet;
b) voor het officieel onderwijs en de officiële centra voor leerlingenbegeleiding de representatieve vakorganisaties, bedoeld in de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel.]
B.Vl.R. 15-9-2000

Art. 2.

[Dit besluit is van toepassing :


a) op de vastbenoemde personeelsleden;
b) op de personeelsleden die tijdelijk zijn aangesteld voor doorlopende duur;
c) op de tijdelijke personeelsleden, wat betreft het ontslag, bedoeld in artikelen 24 en 25 van het decreet;
d) op de personeelsleden die zijn aangesteld in het mandaat van directeur, wat betreft het ontslag, bedoeld in artikel 25 van het decreet;
2° op de inrichtende machten die de in 1° vermelde personeelsleden tewerkstellen.]

B.Vl.R. 15-9-2000

Art. 3.

[De inrichtende macht brengt de tuchtmaatregelen die een financiële implicatie hebben voor het personeelslid binnen een termijn van orde van twintig kalenderdagen ter kennis van de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, of zijn afgevaardigde. Deze termijn begint te lopen de dag na het verstrijken van de beroepstermijn, zoals bepaald in artikel 72, 1°, van het decreet, of de dag nadat de inrichtende macht kennis heeft genomen van de beslissing van de kamer van beroep.]

B.Vl.R. 15-9-2000

HOOFDSTUK II. – De preventieve schorsing

Art. 4.

Wanneer een personeelslid strafrechtelijk of tuchtrechtelijk wordt vervolgd en zijn aanwezigheid onverenigbaar is met het belang van het onderwijs of van de dienst, kan de betrokkene preventief worden geschorst bij wijze van ordemaatregel.
De preventieve schorsing is een bewarende maatregel.
Het personeelslid blijft tijdens deze schorsing in de administratieve stand waarin het zich bevond de dag voor de preventieve schorsing. Tijdens de preventieve schorsing wordt het personeelslid ontheven van de verplichting om dienstprestaties te leveren.

Art. 5.

Alvorens de preventieve schorsing wordt opgelegd dient het personeelslid gehoord te worden door de afgevaardigde van de inrichtende macht. De redenen om over te gaan tot de preventieve schorsing worden ten laatste drie werkdagen voorafgaand aan dit verhoor schriftelijk meegedeeld aan het betrokken personeelslid.
In hoogdringende gevallen kan de overheid de preventieve schorsing onmiddellijk uitspreken, onder de verplichting betrokkene na de uitspraak onverwijld te horen.
Tijdens dit verhoor mag het personeelslid zich laten bijstaan door een raadsman.

Art. 6.

De preventieve schorsing wordt door de inrichtende macht opgelegd bij een met redenen omklede beslissing en aan het personeelslid meegedeeld bij een ter post aangetekende brief; zij heeft uitwerking de derde werkdag vanaf de datum van verzending van de kennisgeving. Bij hoogdringende omstandigheden zoals bedoeld in artikel 5 heeft de preventieve schorsing onmiddellijk uitwerking.

Art. 7.

§ 1. De preventieve schorsing wordt uitgesproken voor een termijn van ten hoogste één jaar.
In geval van strafrechtelijke vervolging voor dezelfde feiten kan de overheid deze termijn voor perioden van ten hoogste zes maanden verlengen zolang de strafrechtelijke procedure loopt.

§ 2. Indien binnen de in de § 1 vermelde termijnen geen tuchtstraf wordt opgelegd vervallen de effecten van de preventieve schorsing.
In geval van beroep tegen de uitgesproken maatregel kan de preventieve schorsing worden verlengd tot na het verstrijken van de [termijn] zoals vermeld in artikel 17.

B.Vl.R. 13-1-1998

§ 3. Aan de preventieve schorsing komt van rechtswege een einde bij de tuchtrechtelijke uitspraak over dezelfde feiten waarvoor het personeelslid preventief werd geschorst.

HOOFDSTUK III. – De tuchtmacht

Art. 8.

§ 1. [ De bevoegde overheid van de onderwijsinstelling of het centrum oefent na onderzoek de tuchtmacht uit.

Indien het personeelslid tijdelijk gereaffecteerd of wedertewerkgesteld is, gebeurt dit op advies van het bevoegde paritair comité of van het bevoegde overlegcomité, vermeld in de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel. Dit advies wordt verstrekt binnen een termijn van twintig werkdagen nadat het verzoek om advies werd ingediend. Is dit advies niet verstrekt binnen deze termijn, dan wordt het geacht verstrekt te zijn.

Zodra de feiten die de toepassing van een tuchtmaatregel kunnen verantwoorden, de bevoegde inrichtende macht ter kennis worden gebracht, gaat ze over of doet ze overgaan tot de nodige vaststellingen en verhoren. Wanneer het personeelslid meerdere feiten ten laste worden gelegd die met elkaar in verband staan, kunnen deze allen aanleiding geven tot één tuchtprocedure en tot het uitspreken van één tuchtstraf.

Wanneer in de loop van de tuchtprocedure een nieuw feit ten laste wordt gelegd dat geen verband heeft met de lopende tuchtprocedure kan dit tot een nieuwe procedure aanleiding geven.

De inrichtende macht of haar afgevaardigde deelt onmiddellijk per aangetekende brief aan het personeelslid mee dat ze een tuchtonderzoek instelt, alsook de reden die daartoe aanleiding geeft. De tuchtrechtelijke vervolging begint op de datum van verzending van de aangetekende brief.]

B.Vl.R. 15-9-2000

§ 2. Vooraleer de inrichtende macht een tuchtmaatregel kan opleggen, dient zij de betrokkene in zijn middelen van verdediging te horen over alle ten laste gelegde feiten.

De betrokkene mag zich tijdens het verhoor laten bijstaan door een raadsman.

§ 3. De inrichtende macht stelt een tuchtdossier samen.

Dit tuchtdossier mag door belanghebbende en zijn raadsman op verzoek worden geraadpleegd vooraleer het verhoor plaats heeft. Zij beschikken over een termijn van tenminste tien werkdagen na ontvangst van de oproepingsbrief.

Desgewenst kan het personeelslid tegen betaling een kopie van het dossier bekomen.

§ 4. Indien het betrokken personeelslid strafrechtelijk wordt vervolgd voor dezelfde feiten kan de tuchtoverheid de behandeling van de tuchtvordering opschorten tot na de kennisgeving bedoeld in § 5, laatste lid.

§ 5. De oproeping van het personeelslid om voor de inrichtende macht te verschijnen moet betekend worden bij een ter post aangetekende brief.

[De oproeping dient op straffe van nietigheid melding te maken van :

1° de ten laste gelegde feiten;

2° het voorstel van tuchtsanctie;

3° de plaats, dag en uur van het verhoor;

4° het recht van de betrokkene zich te laten bijstaan door een raadsman;

5° de plaats waar en de termijn waarbinnen het tuchtdossier bedoeld in § 3 kan worden ingezien.]

B.Vl.R. 13-1-1998

De tuchtoverheid kan geen tuchtrechtelijke vervolging meer instellen na verloop van een termijn van zes maanden na de vaststelling of de kennisname van de strafbare feiten.

In geval van strafrechtelijke vervolging voor dezelfde feiten, begint deze termijn te lopen de dag dat de tuchtoverheid door de gerechtelijke overheid ervan in kennis wordt gesteld dat er een onherroepelijke beslissing uitgesproken is of dat de strafrechtelijke procedure niet voortgezet wordt.

§ 6. Van het verhoor wordt ter zitting een proces-verbaal opgemaakt, dat getrouw de verklaringen van de gehoorde weergeeft; er wordt voorlezing van gedaan en de betrokkene wordt verzocht het te ondertekenen.

Indien de betrokkene ofschoon behoorlijk opgeroepen, niet verschijnt, beslist de inrichtende macht bij verstek.

Blijkt de verhindering gewettigd, dat kan het personeelslid tegen de beslissing verzet aantekenen binnen de tien werkdagen nadat de beslissing hem met een ter post aangetekende brief werd betekend.

In dit geval wordt het dossier heropend en beslist de inrichtende macht, na een nieuwe behoorlijke oproep, ongeacht het al dan niet aanwezig zijn van het personeelslid.

§ 7. De inrichtende macht kan ter zitting ambtshalve, en moet, op verzoek van de betrokkene getuigen horen.

In dit geval heeft het verhoor plaats in aanwezigheid van de betrokkene.

§ 8. De inrichtende macht beslist onverwijld en in ieder gaval uiterlijk binnen de zes weken na het opmaken van het proces-verbaal van verhoor of van niet-verschijnen. Na het verstrijken van deze termijn wordt zij geacht af te zien van de uitoefening van haar tuchtrechtelijke bevoegdheid.

De beslissing waarbij een tuchtstraf wordt opgelegd, wordt met redenen omkleed.

§ 9. De volledige beslissing van de inrichtende macht waarbij de tuchtstraf wordt opgelegd dient zonder verwijl aan het personeelslid te worden betekend bij ter post aangetekende brief.

Deze brief dient de beroepsmogelijkheden te vermelden.

[HOOFDSTUK IIIbis. – Bezwaar tegen het ontslag, bedoeld in artikelen 24 en 25 van het decreet

Art. 8bis.

De brief waarbij de inrichtende macht het ontslag bedoeld in artikel 24 en 25 van het decreet, meedeelt, moet de beroepsmogelijkheden vermelden.]

B.Vl.R. 15-9-2000

HOOFDSTUK IV. – De kamers van beroep

Art. 9.

§ 1. De kamers van beroep worden samengesteld uit een effectieve en plaatsvervangend voorzitter en uit twaalf effectieve en twaalf plaatsvervangende leden.[Een plaatsvervangend lid kan slechts zetelen wanneer voorzien wordt dat het effectief lid méér dan 3 maand afwezig zal zijn of wanneer het effectief lid gewraakt wordt.]

B.Vl.R. 13-1-1998

§ 2. De effectieve en de plaatsvervangende voorzitters worden door de Vlaamse Regering benoemd.

§ 3. De effectieve en plaatsvervangende leden van de kamers van beroep worden voor een gelijk aantal aangeduid enerzijds door de representatieve groeperingen van inrichtende machten en anderzijds de vakorganisaties.[Tijdens hun mandaat in één van de Kamers van Beroep, kunnen zij geen verzoekende of verwerende partij bijstaan of vertegenwoordigen.]

B.Vl.R. 13-1-1998

§ 4. De leden kunnen aanspraak maken op vergoedingen wegens reis- en verblijfkosten overeenkomstig de ter zake geldende reglementering van toepassing op de ambtenaren van de rangen 15 tot 17 van de diensten van de Regering.

§ 5. [De voorzitter ontvangt een jaarlijkse forfaitaire vergoeding van 100.000 frank.]

B.Vl.R. 13-1-1998

Wanneer de voorzitter verhinderd is en diens functie waargenomen wordt door de plaatsvervangende voorzitter wordt aan deze laatste een vergoeding van 2.000 frank per zitting toegekend.

Art. 10.

Het mandaat van de effectieve en plaatsvervangende voorzitter en de leden duurt vier jaar. Het mandaat is hernieuwbaar.
In elk geval behoudt de kamer van beroep haar bevoegdheden tot de nieuwe kamer van beroep is samengesteld.
Het mandaat eindigt eveneens :
1° in geval van ontslagneming;
2° wanneer de organisatie die de betrokkene heeft voorgedragen om zijn vervanging verzoekt;
3° wanneer de betrokkene geen deel meer uitmaakt van de organisatie die hem heeft voorgedragen;
4° in geval van overlijden;
5° […]

B.Vl.R. 30-5-1996

Bij het vroegtijdig beëindigen van een mandaat van een voorzitter of van een lid wordt een vervanger benoemd die het mandaat van zijn voorganger voltooit.

Art. 11.

Het secretariaat van de kamer van beroep wordt waargenomen door een secretaris aangeduid door de Gemeenschapsminister van Onderwijs, onder de ambtenaren van zijn diensten of instellingen. De secretaris ontvangt een vergoeding van 1.000 frank per zitting indien deze geheel of gedeeltelijk plaats vindt buiten de normale diensttijd.

Art. 12.

§ 1. De kamer van beroep zetelt rechtsgeldig zodra de voorzitter en twee leden aangeduid door de representatieve organisaties van inrichtende machten en twee leden aangeduid door de vakorganisaties aanwezig zijn.

§ 2. De kamer van beroep beslist bij gewone meerderheid van stemmen. De stemming is geheim. De leden die zetelen namens de inrichtende machten, en die welke zetelen namens vakorganisaties, moeten in gelijk aantal zijn om aan de stemming deel te nemen.

In voorkomend geval wordt de pariteit hersteld door uitschakeling van één of meer leden door loting. […]

B.Vl.R. 13-1-1998

§ 3. In afwijking op de §§ 1 en 2 beslist de kamer van beroep op een tweede zitting ongeacht het al dan niet aanwezig zijn van de bedoelde vertegenwoordigers.

HOOFDSTUK V. – Procedure in beroep

Art. 13.

§ 1. [Indien door een inrichtende macht een tuchtmaatregel te zijnen laste wordt uitgesproken kan het personeelslid hiertegen bij aangetekend schrijven beroep instellen bij de bevoegde kamer van beroep, binnen de termijn voorzien in artikel 72, 1° van het decreet.

Het beroep moet op straffe van nietigheid middelen inhouden.]

B.Vl.R. 13-1-1998

[Het bezwaar tegen het ontslag, bedoeld in artikel 24 en 25 van het decreet, moet worden ingesteld binnen de termijn, bepaald in artikel 24, § 1, tweede lid van het decreet.]

B.Vl.R. 15-9-2000

§ 2. [Na het verstrijken van de termijnen bedoeld in de artikelen 24, § 1, en 72, 1° van het decreet, wordt het per- soneelslid dat geen beroep heeft ingesteld of geen bezwaar heeft aangetekend, geacht in te stemmen met de tuchtmaatregel of het ontslag.]

B.Vl.R. 13-1-1998

§ 3. De kamers van beroep kunnen de door de inrichtende macht uitgesproken sanctie niet verzwaren.

Art. 14.

Zodra de zaak aanhangig is gemaakt, deelt de voorzitter aan de partijen de lijst mee van de effectieve en plaatsvervangende leden van de kamer.
Binnen tien werkdagen na ontvangst van deze lijst mogen de partijen de wraking vragen van de voorzitter en één of meer leden van de kamer. Indien zowel de voorzitter als de plaatsvervangende voorzitter worden gewraakt duidt de Vlaamse Regering een ander plaatsvervangend voorzitter aan om in de zaak te zetelen.

Art. 15.

Hij die een wraking wil voordragen moet dit doen vóór de aanvang van de beraadslaging, tenzij de reden tot wraking later is ontstaan.
De redenen van wraking zijn deze voorzien in artikel 828 van het Gerechtelijk Wetboek.
De voorzitter of een lid van de [kamer] van beroep die weet dat er een reden tot wraking tegen hem bestaat, moet zich van de zaak onthouden.

B.Vl.R. 13-1-1998

Art. 16.

§ 1. [De partijen worden met een ter post aangetekende brief opgeroepen voor de zitting van de kamer van beroep die plaats vindt binnen de zestig werkdagen volgend op de ontvangst van het beroep of het bezwaarschrift. Indien het einde van deze termijn tussen 15 juli en 15 augustus valt, dan wordt de termijn verlengd tot 31 augustus.
De partijen kunnen zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een raadsman.
De verzoekende partij kan een toelichtende memorie indienen tot uiterlijk 24 werkdagen na het indienen van het beroep of het bezwaarschrift. Deze memorie mag bijkomende middelen bevatten.
De verwerende partij kan een verweerschrift indienen tot uiterlijk 24 werkdagen na ontvangst van de toelichtende memorie van de verzoekende partij of tot uiterlijk 24 werkdagen na het verstrijken van de termijn ingeval verzoekende partij geen toelichtende memorie heeft ingediend.
De toelichtende memorie en het verweerschrift worden aan de Kamer van Beroep én aan de tegenpartij bezorgd. Dit gebeurt bij een ter post aangetekend schrijven of door afgifte tegen ontvangstbewijs.
Verweerschriften en toelichtende memories die na de gestelde termijn zijn bezorgd, worden uit de debatten geweerd.]

B.Vl.R. 13-1-1998

§ 2. De kamer van beroep kan een bijkomend onderzoek bevelen en kan ambtshalve of op verzoek van de betrokkene of van zijn raadsman getuigen horen. In dat geval heeft het verhoor van de getuigen plaats in aanwezigheid van de betrokkene.
De opgeroepen getuige kan zich ertegen verzetten dat hij in het openbaar wordt gehoord.
§ 3. De zittingen van de [kamer] van beroep zijn openbaar, tenzij de openbaarheid gevaar oplevert voor de openbare orde of goede zeden.

B.Vl.R. 13-1-1998

Op vraag van de verzoeker verloopt de zitting achter gesloten deuren.

§ 4. Indien het betrokken personeelslid strafrechtelijk wordt vervolgd voor dezelfde feiten en de inrichtende macht de behandeling van de tuchtprocedure niet heeft opgeschort tijdens de strafrechtelijke procedure kan de kamer van beroep de behandeling van het beroep opschorten tot na de kennisgeving bedoeld in artikel 8, § 5, laatste lid.

§ 5. Indien de verzoeker, ofschoon behoorlijk opgeroepen, niet verschijnt, beslist de kamer van beroep bij verstek. Blijkt de verhindering gewettigd, dan kan het personeelslid binnen de tien werkdagen nadat de beslissing hem met een ter post aangetekende brief werd betekend, tegen de uitspraak verzet aantekenen. In dit geval wordt de kamer van beroep opnieuw bijeengeroepen en beslist, ongeacht het al dan niet aanwezig zijn van de verzoeker, definitief en onherroepelijk.

Art. 17.
De beslissing of het advies van de kamer wordt per aangetekend schrijven aan de partijen meegedeeld binnen [twintig werkdagen] volgend op de vergadering waarin de beslissing werd genomen. De beslissing en het advies worden met redenen omkleed. De beslissing is bindend voor beide partijen.

B.Vl.R. 13-1-1998

Art. 18.
De werkingskosten van de kamer van beroep komen ten laste van de begroting van de Vlaamse Gemeenschap.
De zetel van de kamer van beroep is gevestigd te Brussel.

Art. 19.
De kamer van beroep maakt zijn eigen huishoudelijk reglement op.

HOOFDSTUK VI. – Slotbepalingen

Art. 20.
Dit besluit treedt in werking de dag waarop het decreet bedoeld in artikel 1, 1° in werking treedt.

Art. 21.
De Gemeenschapsminister van Onderwijs is belast met de uitvoering van dit besluit.