Rechtspositie

/Rechtspositie
Rechtspositie 2021-10-12T10:52:05+02:00

Een exemplaar van het in artikel 2 (zie arbeidsovereenkomst) bedoelde decreet houdende  rechtspositie van het gesubsidieerd personeel;

 
Decreet houdende rechtspositie van het gesubsidieerd personeel

http://www.ond.vlaanderen.be/edulex/database/document/document.asp?docid=12657

De Vlaamse Raad heeft aangenomen en Wij, Regering, bekrachtigen hetgeen volgt :

Artikel 1.

Dit decreet regelt een aangelegenheid zoals bedoeld in artikel 59bis, § 2, 2° , van de Grondwet.

Het kan worden aangehaald als het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs.

TITEL I. – [Paritaire comités voor het gesubsidieerd vrij onderwijs en de gesubsidieerde vrije centra voor leerlingenbegeleiding]

Decr. 1-12-1998

Art. 2.

§ 1. Na raadpleging van de meest representatieve groeperingen van de inrichtende machten en van de personeelsverenigingen van het gesubsidieerd vrij onderwijs en de [centra voor leerlingenbegeleiding] aangesloten bij een in de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen vertegenwoordigde syndicale organisatie, richt de Vlaamse Regering

1° voor enerzijds het gesubsidieerd vrij onderwijs en de pedagogische begeleidingsdiensten en anderzijds voor de gesubsidieerde vrije [centra voor leerlingenbegeleiding] telkens een centraal paritair comité op, waarvan de bevoegdheid zich uitstrekt over respectievelijk al de door de Vlaamse Gemeenschap gesubsidieerde vrije onderwijsinstellingen, die van het hoger kunstonderwijs inbegrepen, met uitzondering van het hoger onderwijs van het lange type en het universitair onderwijs, de pedagogische begeleidingsdiensten en al de door de Vlaamse Gemeenschap gesubsidieerde vrije [centra voor leerlingenbegeleiding];

2° voor het gesubsideerd vrij onderwijs, andere paritaire comités waarvan de bevoegdheid door de Vlaamse Regering wordt bepaald. Per onderwijsniveau wordt één paritair comité opgericht. Voor het buitengewoon onderwijs zullen afzonderlijke paritaire comités worden opgericht.

Decr. 1-12-1998

§ 2. De Vlaamse Regering bepaalt het algemeen reglement van de paritaire comités. Elk paritair comité stelt zijn eigen huishoudelijk reglement op.

§ 3. Elk paritair comité bestaat uit :

1° een gelijk aantal vertegenwoordigers, niet minder dan vier, van de werknemers- en werkgeversorganisaties bedoeld in § 1; er zijn voor elke categorie evenveel plaatsvervangers als effectieve leden;

2° één voorzitter en één ondervoorzitter;

3° één secretaris.

De organisaties bedoeld in 1° mogen ieder technische adviseurs aan hun delegatie toevoegen waarvan het maximum aantal bepaald wordt door het centraal paritair comité.

De in 1° bedoelde leden worden aangewezen door hun respectieve organisaties.

De voorzitter en de ondervoorzitters worden benoemd door de Vlaamse Regering onder de ter zake bevoegde personen die onafhankelijk moeten staan tegenover de belangen die in het comité aan de orde kunnen zijn.

De secretaris wordt aangewezen door de Vlaamse Regering onder haar ambtenaren.

§ 4. De paritaire comités hebben hoofdzakelijk als opdracht :

a) te beslissen over de algemene arbeidsvoorwaarden;

b) elk geschil te voorkomen of bij te leggen dat tussen de inrichtende machten en de leden van het personeel zou dreigen te rijzen of ontstaan is.

§ 5. De paritaire comités beslissen bij tweederde meerderheid van de aanwezige leden. Onthoudingen en blanco-stemmen worden geacht niet te zijn uitgebracht. De voorzitter, de ondervoorzitter, de secretarissen en de technische adviseurs zijn niet stemgerechtigd.

De leden die zetelen namens de werkgevers en die welke zetelen namens de werknemers, moeten gelijk in aantal zijn om aan de stemming deel te nemen. In voorkomend geval wordt de pariteit hersteld.

§ 6. Op verzoek van de paritaire comités of van een vertegenwoordigende organisatie kan een besluit van de Vlaamse Regering aan de getroffen beslissingen algemeen verbindende kracht geven.

§ 7. De Gemeenschapsminister van Onderwijs laat, in geval dat aan deze beslissingen geen algemeen verbindende kracht wordt gegeven, aan het comité de redenen kennen, waarom de Regering op dit verzoek niet is ingegaan. De artikelen 30 tot en met 34 van de wet van [5 december 1968] betreffende de collectieve arbeidsovereenkomst en de paritaire comités zijn van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat de in deze wet aan de Koning en aan de Minister toegekende bevoegdheden worden uitgeoefend door respectievelijk de Vlaamse Regering en de Gemeenschapsminister van Onderwijs.

Decr. 28-4-1993

Art. 3.

Opgeheven worden :

1° artikel 45 van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving, gewijzigd door …

2° artikel 55 van het koninklijk besluit van 13 augustus 1962 tot regeling van de psycho-medisch-sociale centra, zoals gewijzigd door …

TITEL II. – De rechtspositie van de gesubsidieerde personeelsleden van de instellingen en centra van het gesubsidieerd onderwijs

HOOFDSTUK I. – Algemene bepalingen

Art. 4.

§ 1. Deze titel is van toepassing op :

a) de gesubsidieerde leden van :

– het bestuurs- en onderwijzend personeel, met inbegrip van de godsdienstleerkrachten;

– het opvoedend hulppersoneel;

– het paramedisch personeel;

– het [psychologisch, orthopedagogisch,] sociaal en medisch personeel;

Decr. 14-7-1998

– het technisch personeel;

[- het ondersteunend personeel;]

Decr. 14-7-1998

[- het beleids- en ondersteunend personeel;]

Decr. 10-7-2003

– het administratief personeel;

tewerkgesteld in de gesubsidieerde

– [scholen van het basisonderwijs, instellingen voor secundair onderwijs en deeltijds kunstonderwijs en centra voor volwassenenonderwijs;]

Decr. 14-2-2003

– tehuizen voor kinderen wier ouders geen vaste verblijfplaats hebben;

– internaten;

– [de centra voor leerlingenbegeleiding en in voorkomend geval hun permanente ondersteuningscellen, verder CLB’s genoemd.]

Decr. 1-12-1998

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere omschrijving van de hiervoor bedoelde personeelscategorieën. In afwachting hiervan blijven evenwel de bestaande wettelijke, decretale of reglementaire bepalingen van kracht;

b) de inrichtende machten van de instellingen en centra.

§ 2. Dit decreet is niet van toepassing op de voordrachtgevers bedoeld in de artikelen 68 en 69 van het decreet van 5 juli 1989 betreffende het onderwijs.

§ 3. [Onverminderd de bepalingen van dit decreet worden de godsdienstleerkrachten door de inrichtende macht tijdelijk aangesteld of vast benoemd, op voordracht van de bevoegde instantie van de betrokken godsdienst.] Zij kunnen door de inrichtende macht uit hun ambt niet worden ontheven dan op een met reden omkleed voorstel of met instemming van de bevoegde instantie van de betrokken godsdienst.

Decr. 14-2-2003

De bepalingen van deze titel die specifiek de leermeesters godsdienst en godsdienstleraars betreffen, zijn op die personeelsleden slechts van toepassing in de mate dat zij hun leeropdracht in die hoedanigheid uitoefenen.

[§ 4. [[Onverminderd de bepalingen van dit decreet worden de leermeesters niet-confessionele zedenleer en de leraars secundair onderwijs belast met niet-confessionele zedenleer door de inrichtende macht tijdelijk aangesteld of vast benoemd, op voordracht van de bevoegde instantie van de niet-confessionele zedenleer, zoals bedoeld in het decreet van 1 december 1993.]] Zij kunnen door de inrichtende macht uit hun ambt niet worden ontheven dan op een met reden omkleed voorstel of met instemming van de bevoegde instantie van de niet-confessionele zedenleer.

De bepalingen van deze titel die specifiek de leermeesters niet-confessionele zedenleer en de leraars secundair onderwijs belast met niet-confessionele zedenleer betreffen, zijn op die personeelsleden slechts van toepassing in de mate dat zij hun opdracht in die hoedanigheid uitoefenen.]

Decr. 18-5-1999; [[ ]] Decr. 14-2-2003

[§ 5. In het gesubsidieerd officieel onderwijs ingericht door de gemeenten is het college van burgemeester en schepenen bevoegd voor het toekennen van een afwezigheid, een verlof, een terbeschikkingstelling, een tijdelijke aanstelling, een affectatie en een loopbaanonderbreking, voor zover die de duur van maximaal twaalf maanden niet overschrijdt.]

Decr. 7-7-2006

Art. 5.

Voor de toepassing van deze titel wordt verstaan onder :

1° [de instelling : de scholen van het basisonderwijs en de instellingen voor secundair onderwijs en deeltijds kunstonderwijs, de centra voor volwassenenonderwijs, de tehuizen voor kinderen wier ouders geen vaste verblijfplaats hebben en de internaten. Het internaat toegevoegd aan een onderwijsinstelling maakt deel uit van die instelling;]

Decr. 14-2-2003

2° de centra : de gesubsidieerde [centra voor leerlingenbegeleiding en in voorkomend geval hun permanente ondersteuningscellen] en pedagogische begeleidingsdiensten;

Decr. 14-2-2003

3° het net :

a) hetzij het Gemeenschapsonderwijs : de onderwijsinstellingen en de centra ingericht door de Vlaamse Gemeenschap en waarvan de bevoegdheden van inrichtende macht worden uitgeoefend door de Autonome Raad voor het Gemeenschapsonderwijs;

b) hetzij het gesubsidieerd officieel onderwijs : de onderwijsinstellingen en de centra ingericht door de provincies, de gemeenten of door publiekrechtelijke rechtspersonen andere dan de Autonome Raad voor het Gemeenschapsonderwijs en die in aanmerking komen voor subsidiëring door de Vlaamse Gemeenschap;

c) hetzij het gesubsidieerd vrij onderwijs : de onderwijsinstellingen en de centra ingericht door natuurlijke personen of privaatrechtelijke rechtspersonen en die in aanmerking komen voor subsidiëring door de Vlaamse Gemeenschap;

4° de aanvullende regels van het bevoegd paritair comité : de regels die door de in titel I bedoelde paritaire comités met betrekking tot de rechtspositie van de aan dit decreet onderworpen personeelsleden van het gesubsidieerd vrij onderwijs zijn vastgesteld en waaraan bij besluit van de Vlaamse Regering algemeen verbindende kracht is gegeven;

5° de vacante betrekking : betrekking die niet is toegewezen aan een in de zin van dit decreet vast benoemd personeelslid;

6° het schooljaar : de periode van 1 september tot 31 augustus van het daaropvolgend jaar voor het voorschools, lager en secundair onderwijs; het academiejaar voor het hoger kunstonderwijs en het hoger onderwijs van het korte type en het dienstjaar voor de [CLB’s];

Decr. 1-12-1998

7° de titularis : het personeelslid dat in een vacante betrekking vast benoemd of tijdelijk aangesteld is, met uitzondering van wie voor een tijd de tijdelijke titularis vervangt;

8° de bekwaamheidsbewijzen : de door de Vlaamse Regering voor het ambt bepaalde bekwaamheidsbewijzen;

9° de godsdienst : één van de erediensten bedoeld in artikel 8 van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving;

10° de godsdienstleerkrachten : de leermeesters godsdienst en de godsdienstleraars;

11° een ambt : een functie die in de onderwijssector wordt uitgeoefend en door de Gemeenschap wordt gefinancierd. De Vlaamse Regering stelt de verschillende ambten vast en maakt een indeling in wervings-, selectie- en bevorderingsambten. Zolang de Vlaamse Regering geen uitvoering heeft verleend aan deze bepaling blijft de bestaande reglementering van kracht;

12° een betrekking : de concrete werkgelegenheid in een bepaald ambt in een instelling, uitgedrukt in een door de inrichtende macht bepaald aantal prestatie-eenheden per week en indien het een onderwijsopdracht betreft, met vermelding van het onderwijsniveau, het vak en de specialiteit ervan of een ermede gelijkgestelde activiteit, en in voorkomend geval, de graad of cyclus en de onderwijsvorm of de opleidingsvorm. [Als het gaat om een opdracht in een ambt van het ondersteunend personeel vermeldt de inrichtende macht eveneens het vereiste niveau van bekwaamheidsbewijs. Als het gaat om een opdracht in een ambt van het beleids- en ondersteunend personeel dan vermeldt de inrichtende macht eveneens het vereiste opleidingsniveau.]

Een betrekking kan volledig of onvolledig zijn. Een volledige betrekking stemt overeen met het aantal prestatie-eenheden vereist voor een ambt met volledige prestaties.

[Een personeelslid dat deeltijds werkt, heeft het recht dat deze prestaties maximaal over een proportioneel aantal halve dagen per week worden gespreid;]

Decr. 15-7-2005

13° opdracht van een personeelslid : aantal prestatie-eenheden per week door een personeelslid verricht in een bepaald ambt in een instelling en, indien het een onderwijsopdracht betreft, in een bepaald onderwijsniveau, in een bepaald vak en de specialiteit ervan of een ermede gelijkgestelde actviteit, en in voorkomend geval, de graad of cyclus en de onderwijsvorm of de opleidingsvorm. De prestatie-eenheid is de basiseenheid die voor een bepaald ambt door de Vlaamse Regering wordt vastgesteld;

14° de mutatie : het toewijzen bij een andere inrichtende macht van een andere betrekking van het ambt waarin het personeelslid vast benoemd is in een andere instelling;

[15° de affectatie : de toewijzing van een personeelslid aan een instelling of centrum ingericht door dezelfde inrichtende macht in een betrekking van het ambt waarin betrokkene vast benoemd is;]

Decr. 21-12-1994

[16° contractueel personeelslid : personeelslid dat werd aangenomen met een arbeidsovereenkomst zoals bedoeld in de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten of vastbenoemd of tijdelijk personeelslid dat een gesubsidieerde betrekking uitoefent bij equipe voor medisch schooltoezicht van een lokaal bestuur;

17° lokaal comité : het inzake arbeidsvoorwaarden en personeelsaangelegenheden bevoegde lokaal overlegorgaan of onderhandelingsorgaan;

18° vacature : elke volledige of onvolledige betrekking die, ofwel definitief vacant is, ofwel tijdelijk vacant is, voor een periode van tenminste tien werkdagen;]

Decr. 1-12-1998

[19° raadsman : een advocaat, een personeelslid van een instelling of wat de werknemer betreft, een vertegenwoordiger van een erkende vakorganisatie en wat de werkgever betreft, een vertegenwoordiger van een overkoepelende vereniging van inrichtende machten;]

Decr. 14-2-2003

[20° scholengemeenschap : de scholengemeenschap zoals bedoeld in artikel 2, 28°, van het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs en de scholengemeenschap basisonderwijs zoals bedoeld in artikel 3, 52bis, van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs;]

Decr. 10-7-2003

[21° bevoegde instantie van de godsdienst of betrokken eredienst : de instantie of personen die de bevoegdheid op basis van de eigen interne regelgeving hebben, of de instantie of personen die van het representatieve orgaan van de eredienst of van het hoofd van de eredienst de bevoegdheid krijgen;

22° bevoegde instantie van de niet-confessionele zedenleer : de erkende vereniging van de niet-confessionele gemeenschap, vermeld in het decreet van 1 december 1993 betreffende de inspectie en begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken.]

Decr. 7-7-2006

Art. 6.

[§ 1.]¹ Voor het berekenen van de dienstanciënniteit :

a) [bestaat het aantal dagen, gepresteerd als tijdelijk aangesteld personeelslid in een betrekking met volledige dienstprestaties, uit al de kalenderdagen gerekend van het begin tot het einde van de ononderbroken activiteitsperiode, met inbegrip van alle vakantieperioden met uitzondering van de zomervakantie, als ze in die activiteitsperiode vallen. Dat aantal wordt vermenigvuldigd met 1,2. In afwijking hiervan bestaat voor het administratief personeel, de administratief medewerker van het beleids- en ondersteunend personeel, de administratief medewerker van het ondersteunend personeel en voor de personeelsleden van de CLB’s, de semi-internaten en de opvangcentra, het aantal dagen gepresteerd als tijdelijk aangesteld personeelslid in een betrekking met volledige dienstprestaties, uit al de kalenderdagen van het begin tot het einde van een ononderbroken activiteitsperiode, met inbegrip van alle vakantieperioden. Dit aantal wordt niet vermenigvuldigd met 1,2.

De dagen, gepresteerd in een andere hoedanigheid dan die van tijdelijk personeelslid in een betrekking met volledige dienstprestaties, worden gerekend vanaf het begin tot het einde van een ononderbroken periode van dienstactiviteit, met inbegrip van alle vakantieperioden;]³

b) worden de dagen gepresteerd in een betrekking met onvolledige dienstprestaties, die ten minste de helft bedragen van het aantal uren vereist voor het ambt met volledige dienstprestaties, op dezelfde grond in acht genomen als de dagen gepresteerd in een ambt met volledige dienstprestaties. Het aantal dagen gepresteerd in een betrekking die niet de helft bedraagt van het aantal uren, vereist voor een betrekking met volledige dienstprestaties, wordt met de helft verminderd;

c) mag het aantal dagen gepresteerd in twee of meer gelijktijdig uitgeoefende ambten met volledige of onvolledige dienstprestaties nooit meer bedragen dan het aantal dagen gepresteerd in een ambt met volledige dienstprestaties die tijdens dezelfde periode wordt uitgeoefend;

d) [komen de diensten gepresteerd in een ambt van godsdienstleerkracht enkel in aanmerking voor de berekening van de dienstanciënniteit in dat ambt; de diensten mogen in een ander net gepresteerd zijn. In het vrij confessioneel onderwijs komen de diensten eveneens in aanmerking voor de berekening van de anciënniteit in andere ambten, indien de onderwezen godsdienst degene is welke voorkomt in het onderwijs verstrekt door de inrichtende macht.

De diensten die – zowel in het gemeenschaps- als in het gesubsideerd onderwijs – gepresteerd werden tussen 1 september 1975 en 31 augustus 2001 in het ambt van godsdienstleerkracht belast met islamitische godsdienst en in aanmerking komen voor de berekening van de geldelijke anciënniteit, komen in aanmerking voor de berekening van de dienstanciënniteit in dat ambt.]²

[ ]¹ Decr. 21-12-1994; [ ]² Decr. 13-7-2001; [ ]³ Decr. 7-7-2006

e) vormen dertig dagen een maand;

f) worden als diensten in het gesubsidieerd onderwijs en de centra beschouwd, de gesubsidieerde diensten door het personeelslid gepresteerd in de stand dienstactiviteit, alsook het verlof dat hem is toegekend overeenkomstig [artikel 51].

Decr. 28-4-1993

Als diensten worden eveneens beschouwd, de perioden tijdens dewelke het personeelslid zich in de administratieve stand van terbeschikkingstelling bevindt zoals bepaald in artikel 56, a, b, c, en e;

g) kan gedurende een schooljaar een dienstanciënniteit van maximaal 360 dagen worden verworven.

[§ 2. Voor de berekening van de dienstanciënniteit komen de hiervoor bedoelde diensten enkel in aanmerking indien ze gepresteerd werden in hoofdambt.]

Decr. 21-12-1994

[§ 3. De regering bepaalt op welke wijze de volgende diensten mee in aanmerking worden genomen voor het berekenen van de dienstanciënniteit in de CLB’s in het gesubsidieerd onderwijs :

1° contractueel personeelslid bij een PMS-centrum;

2° contractueel personeelslid bij een equipe voor medisch schooltoezicht;

3° gesubsidieerde contractueel;

4° personeelslid bij een consultatiebureau voor gehandicapten.]

Decr. 1-12-1998

[§ 4. Voor de toepassing van hoofdstuk III in het deeltijds kunstonderwijs worden de diensten, gepresteerd in het ambt van studiemeester-opvoeder, ook beschouwd als zijnde gepresteerd in het ambt van opsteller.]

Decr. 22-6-2007

Art. 7.

De nuttige ervaring is de tijd doorgebracht in het onderwijs of gedurende welke een persoon, als werknemer in een particuliere of openbare dienst of als zelfstandige een beroep of een ambacht heeft uitgeoefend. Zij wordt aangetoond op de wijze bepaald door de Vlaamse Regering. Zolang de Vlaamse Regering geen uitvoering heeft verleend aan deze bepaling blijft de bestaande reglementering van kracht.

Deze bepalingen zijn niet van toepassing op de leden van het administratief personeel van de instellingen en centra.

[Art. 7bis.

Artikel 19, § 2 en § 3, van het besluit van de Vlaamse regering van 7 oktober 1997 betreffende de nuttige ervaring als bekwaamheidsbewijs voor personeelsleden van het onderwijs, wordt bekrachtigd met ingang van 1 september 1997.]

Decr. 13-7-2001

HOOFDSTUK II. – Plichten en onverenigbaarheden

Art. 8.

Dit hoofdstuk is van toepassing op de tijdelijk aangestelde en de vaste benoemde personeelsleden.

Afdeling 1. – Plichten

Art. 9.

De personeelsleden moeten het belang behartigen van het onderwijs en van de instellingen waarin zij tewerkgesteld zijn.

Zij behartigen daarenboven het belang van de leerlingen en van de consultanten.

Art. 10.

De personeelsleden vervullen de taken die hun worden opgedragen, persoonlijk en nauwgezet, met inachtneming van de verplichtingen welke hun door of krachtens de wet of het decreet en, al naar het geval, door de aanvullende regels van het bevoegd paritair comité, door de overeenkomst of het besluit van indienstneming of bij dienstorder zijn opgelegd.

Art. 11.

De personeelsleden moeten zich in hun dienstbetrekkingen en in de omgang met de leerlingen, de ouders van de leerlingen en het publiek op een correcte wijze gedragen.

De personeelsleden moeten alles vermijden wat het vertrouwen van het publiek kan schaden of afbreuk kan doen aan de eer of de waardigheid van hun functie in het onderwijs.

Het is de personeelsleden verboden rechtstreeks of door een tussenpersoon, zelfs buiten hun ambt doch omwille ervan, giften, geschenken, beloningen of enig ander voordeel aan te nemen.

Art. 12.

De personeelsleden mogen hun gezag niet aanwenden voor politieke of commerciële doeleinden.

Art. 13.

Behoudens overmacht mogen de personeelsleden de uitoefening van hun ambt niet onderbreken zonder voorafgaande toestemming van de rechtstreekse hiërarchische overheid.

Art. 14.

De personeelsleden zijn ertoe gehouden het ambtsgeheim te bewaren.

Art. 15.

In de uitoefening van hun ambt moeten de personeelsleden de verplichtingen, voortvloeiend uit de specificiteit van het opvoedingsproject, naleven.

Deze verplichtingen worden schriftelijk meegedeeld voor de indiensttreding en vastgelegd in de overeenkomst of het besluit van indiensttreding.

Afdeling 2. – Onverenigbaarheden

Art. 16.

Onverenigbaarheden die voortvloeien uit de specificiteit van het opvoedingsproject worden schriftelijk meegedeeld voor de indiensttreding en worden vastgelegd in de overeenkomst of het besluit van indiensttreding.

Afdeling 3. – Bescherming van het privé-leven

Art. 17.

Feiten uit het privé-leven die geen weerslag hebben op de relatie tussen de leerling of consultant en het personeelslid, het schoolleven of op de werking van de centra kunnen geen aanleiding geven tot een maatregel vanwege de inrichtende macht.

[Hoofdstuk IIbis. – Aansprakelijkheid

Art. 17bis.

Ingeval het personeelslid bij de uitvoering van zijn ambt de werkgever of derden schade berokkent, is hij enkel aansprakelijk voor zijn bedrog en zijn zware schuld.

Voor lichte schuld is hij enkel aansprakelijk als die bij hem eerder gewoonlijk dan toevallig voorkomt.

De werkgever kan de vergoedingen en de schadeloosstellingen die hem krachtens dit artikel verschuldigd zijn en die na de feiten met het personeelslid zijn overeengekomen of door de rechter vastgesteld, op de wedde inhouden in de voorwaarden als bepaald bij artikel 23 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers.]

Decr. 13-7-2001

[HOOFDSTUK IIter. – Bijstand

Art. 17ter.

Een personeelslid kan zich in de procedures, bepaald krachtens dit decreet, steeds laten bijstaan of vertegenwoordigen door een raadsman.]

Decr. 14-2-2003

[HOOFDSTUK IIquater. – Ter beschikking stellen van personeelsleden ten behoeve van gebruikers

Art. 17quater.

§ 1. Behoudens de krachtens decreet bepaalde gevallen, kan een personeelslid niet ter beschikking worden gesteld van derden die over deze personeelsleden enig gedeelte van het gezag uitoefenen dat normaal aan de werkgever toekomt.

Geldt evenwel niet als de uitoefening van een gezag in de zin van het eerste lid, het naleven door de derde van de verplichtingen die op hem rusten inzake het welzijn op het werk, alsook instructies die door de derde worden gegeven in uitvoering van een contractuele of statutaire rechtsverhouding die hem met de werkgever verbindt, inzonderheid in het kader van een samenwerkingsvorm tussen scholen of een scholengemeenschap.

§ 2. De rechtshandeling waarbij een personeelslid in dienst wordt genomen om ter beschikking te worden gesteld van een gebruiker in strijd met de bepaling van het eerste lid, is nietig vanaf het begin der uitvoering van de tewerkstelling bij de gebruiker.]

Decr. 10-7-2003

HOOFDSTUK III. – Werving

Afdeling 1. – Algemene bepalingen

Art. 18.

§ 1. De wervingsambten worden uitgeoefend door personeelsleden die ofwel tijdelijk aangesteld ofwel vast benoemd zijn. Zij worden toegewezen door werving volgens de hieronder bepaalde regels.

§ 2. De inrichtende machten delen hun vacante betrekkingen mede al naargelang de ligging van de instelling of het centrum waarbij de betrekking vacant is, aan de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding of aan de Brusselse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding.

Afdeling 2. – Tijdelijke aanstelling en tijdelijke personeelsleden

Art. 19.

§ 1. Niemand kan door een inrichtende macht als tijdelijk personeelslid worden aangesteld, indien hij op het ogenblik van de aanstelling niet voldoet aan de voorwaarden van [artikel 73, § 1, 1°, 2° en 6°, van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs of van]¹ artikel 28, § 1, 1° , 2° en 4° van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving en daarenboven :

1° houder is van een bekwaamheidsbewijs voor het ambt, zoals bedoeld in artikel 5, 8° ;

2° voldoet aan de bepalingen van de taalwetten ter zake;

3° van onberispelijk gedrag is, zoals dat blijkt [uit een uittreksel uit het strafregister]³ dat niet langer dan één jaar tevoren werd afgegeven;

4° voldoet aan de dienstplichtwetten.

§ 2. Niemand kan door een inrichtende macht als tijdelijk personeelslid worden aangesteld in strijd met de reglementering inzake terbeschikkingstelling wegens onstentenis van betrekking, de reaffectatie en de wedertewerkstelling […]².

§ 3. […]²

[ ]¹ Decr. 14-2-2003; [ ]² Decr. 7-7-2006; [ ]³ Decr. 22-6-2007

Art. 20.

§ 1. In de instellingen en centra van het gesubsidieerd vrij onderwijs wordt elke tijdelijke aanstelling in een wervingsambt en elke wijziging ervan schriftelijk vastgesteld. De overeenkomst vermeldt ten minste :

1° de benaming en het adres van de inrichtende macht en van de instelling of het centrum waarin het personeelslid tewerkgesteld wordt;

2° de identiteit van het personeelslid;

3° het uit te oefenen ambt en indien het een leraar betreft het vak en de specialiteit en de omvang van de opdracht;

4° de aanstelling in een vacante of een niet-vacante betrekking en, in dit laatste geval, de naam van de titularis van de betrekking en, in voorkomend geval, van het afwezige personeelslid dat de titularis tijdelijk vervangt;

5° in voorkomend geval, [het pedagogisch project en] de aanvullende verplichtingen en onverenigbaarheden.

Decr. 18-5-1999

De overeenkomst van tijdelijke aanstelling wordt opgemaakt in ten minste twee exemplaren, waarvan één bestemd voor het personeelslid.

§ 2. In de instellingen en centra van het gesubsidieerd officieel onderwijs wordt elke tijdelijke aanstelling in een wervingsambt en elke wijziging ervan vastgesteld bij besluit van de inrichtende macht. Het besluit vermeldt ten minste :

1° de benaming en het adres van de inrichtende macht en van de instelling of het centrum waarin het personeelslid tewerkgesteld wordt;

2° de identiteit van het personeelslid;

3° het uit te oefenen ambt en indien het een leraar betreft het vak en de specialiteit en de omvang van de opdracht;

4° de aanstelling in een vacante of een niet-vacante betrekking en, in dit laatste geval, de naam van de titularis van de betrekking en, in voorkomend geval, van het afwezige personeelslid dat de titularis tijdelijk vervangt;

5° in voorkomend geval, [het pedagogisch project en] de aanvullende verplichtingen en onverenigbaarheden.

Decr. 18-5-1999

Een afschrift van dit besluit wordt meegedeeld aan het betrokken personeelslid.

§ 3. Bij ontstentenis van hetzij de schriftelijke overeenkomst bedoeld in § 1, hetzij het besluit bedoeld in § 2, wordt het personeelslid geacht aangesteld te zijn voor het ambt, voor de opdracht en in de betrekking die het werkelijk uitoefent

Art. 21.

§ 1. Een tijdelijke aanstelling in een wervingsambt eindigt van rechtswege en zonder vooropzeg voor het geheel of een deel van de opdracht :

a) bij de terugkeer van de titularis van de betrekking of van het personeelslid dat hem tijdelijk vervangt;

b) op het ogenblik dat de betrekking van het tijdelijk personeelslid geheel of gedeeltelijk wordt toegewezen aan een ander personeelslid :

– door toepassing van de reglementering op de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie en de wedertewerkstelling;

– door mutatie [of door affectatie]¹;

– door vast benoeming;

[-door toepassing van artikel 44undecies;]²

[ ]¹ Decr. 21-12-1994; [ ]² Decr. 13-7-2007

c) op het ogenblik dat het tijdelijk personeelslid wordt vast benoemd in deze betrekking;

d) vanaf de datum dat de waargenomen betrekking voor het geheel of voor een gedeelte ervan niet meer kan worden gesubsidieerd;

e) […]

Decr. 7-7-2006

f) uiterlijk op het einde van het schooljaar of de leergang waarvoor de aanstelling werd gedaan, onverminderd de toepassing van de reglementering inzake reaffectatie en wedertewerkstelling. Deze bepaling is eveneens van toepassing ten aanzien van de personeelsleden die werden aangeworven overeenkomstig de voorheen bestaande rechtspositieregeling. [Ze is evenwel niet van toepassing op de personeelsleden die tijdelijk aangesteld zijn voor doorlopende duur;]

Decr. 14-2-2003

g) bij de opruststelling wegens het bereiken van de leeftijdsgrens;

h) voor de personeelsleden die niet voldoen aan de voorwaarden van artikel 19.

[i) [[…]] ]

Decr. 14-7-1998; [[ ]] Decr. 14-2-2003

§ 2. […]

Decr. 28-4-1993

§ 3. Een tijdelijke aanstelling [van bepaalde duur] eindigt eveneens voor het geheel of een deel van de opdracht overeenkomstig de artikelen 24, 25 en 26.

Decr. 13-7-2007

Art. 22.

Op het einde van elke activiteitsperiode levert de inrichtende macht of een door haar aangewezen of gemandateerde persoon een attest af met vermelding van het in artikel 20, § 1 en § 2, 1° , 2° en 3° bedoelde en met vermelding van de begin- en einddatum ervan.

Art. 23.

[§ 1. Dit artikel is van toepassing op de personeelsleden en op de instellingen en CLB’s vermeld in artikel 4, § 1, met uitzondering van de instellingen van het [[basisonderwijs en het]]¹ [[…]]² secundair onderwijs die tot een scholengemeenschap behoren.

§ 2. Een tijdelijke aanstelling in een instelling of CLB kan gebeuren in een vacante en/of niet vacante betrekking voor een bepaalde of voor een doorlopende duur. De tijdelijke aanstelling van doorlopende duur is een recht onder de voorwaarden van dit artikel.

§ 3. [[Een personeelslid heeft recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur indien het in één of meer instellingen of CLB’s van dezelfde inrichtende macht gespreid over ten minste drie schooljaren een dienstanciënniteit heeft van ten minste 720 dagen, waarvan 600 effectief gepresteerd, waarbij eveneens worden beschouwd als effectief gepresteerde dagen : zaterdagen, zondagen, wettelijke verlofdagen en schoolvakanties, voorzover deze binnen de aanstellingsperiode vallen. Het zwangerschapsverlof en de periode van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte en/of moederschapsbescherming worden tot een maximum van 210 dagen meegerekend als effectief gepresteerde dagen voorzover die dagen binnen de aanstellingsperiode vallen.]]³

Het recht geldt voor betrekkingen in alle instellingen of CLB’s van de inrichtende macht waarbij het recht werd verworven.

Het personeelslid dat een beroep wenst te doen op dit recht moet, op straffe van verlies ervan voor het volgend schooljaar, vóór 15 juni bij deze inrichtende macht kandideren met een ter post aangetekende brief. Deze kandidaatstelling geldt voor alle betrekkingen waarvoor het recht werd verworven. Als het personeelslid in één of meer instellingen of CLB’s van de inrichtende macht een eerste maal effectief wordt aangesteld voor doorlopende duur in het ambt waarvoor hij het recht heeft verworven, dan geldt dit vanaf dat ogenblik als een over de schooljaren doorlopende kandidatuur voor dat ambt.

Het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur geldt niet voor de personeelsleden bedoeld in hoofdstuk IVbis voor wat betreft het volume van hun vastbenoemde opdracht, waarvoor zij een verlof hebben verkregen om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen.

§ 4. De anciënniteit bedoeld in § 3 wordt vastgesteld op 30 juni voorafgaand aan het schooljaar waarin het personeelslid zijn recht op de tijdelijke aanstelling van doorlopende duur laat gelden.

Voor de toepassing van dit artikel wordt de anciënniteit, in afwijking van artikel 6 en rekening houdend met artikel 77, berekend op basis van prestaties in één of meer instellingen of CLB’s die behoren tot dezelfde inrichtende macht.

Voor het bepalen van de anciënniteit bedoeld in dit artikel wordt, in afwijking van artikel 6, § 1, a) , het aantal gepresteerde dagen niet met 1,2 vermenigvuldigd.

In afwijking van artikel 6, § 2, dient voor de vaststelling van het recht bedoeld in § 3 in het onderwijs voor sociale promotie en het deeltijds kunstonderwijs die dienstanciënniteit niet in hoofdambt verworven te zijn.

§ 5. Het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur geldt voor dat ambt waarin de in § 3 bedoelde anciënniteit is verworven en waarvoor het personeelslid het vereiste bekwaamheidsbewijs of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepaling of bij overgangsmaatregel, bezit.

Is de in § 3 bedoelde anciënniteit verworven in een ambt van leraar, dan geldt dit recht voor dit ambt en voor alle vakken en specialiteiten waarvoor het personeelslid een vereist bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepaling of bij overgangsmaatregel, bezit.

Is de in § 3 bedoelde anciënniteit verworven in een ambt van leraar voor een vak of een specialiteit waarvoor het personeelslid een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepaling of bij overgangsmaatregel, bezit, dan geldt dit recht voor dit ambt, dit vak of deze specialiteit en daarenboven ook voor alle vakken en specialiteiten waarvoor het personeelslid een vereist bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepaling of bij overgangsmaatregel, bezit.

§ 6. Een personeelslid dat krachtens § 5 recht verworven heeft op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur, verliest dit recht in het betrokken ambt wanneer hij vervolgens vijf opeenvolgende schooljaren geen diensten heeft gepresteerd in één of meer instellingen of CLB’s van de inrichtende macht.

§ 7. [[Een personeelslid dat aangesteld is voor bepaalde duur en dat wordt ontslagen :

1° volgens artikel 25, kan de diensten die het vóór het ontslag presteerde in alle instellingen van de betrokken inrichtende macht die niet behoren tot een scholengemeenschap of in alle CLB’s van de betrokken inrichtende macht in het ambt waarin het werd ontslagen, niet meer in aanmerking nemen voor de berekening van de anciënniteit zoals bedoeld in §§ 3 en 4 van dit artikel;

2° volgens artikel 24 of 47quaterdecies , kan de diensten die het vóór het ontslag presteerde in de instelling of de pedagogische entiteit of het CLB waar het werd ontslagen niet meer in aanmerking nemen voor de berekening van de anciënniteit zoals bedoeld in §§ 3 en 4 van dit artikel maar beperkt tot de diensten die gepresteerd werden in het ambt waarvoor het werd ontslagen. Het personeelslid kan daarenboven de diensten die het gepresteerd heeft bij andere instellingen of CLB’s van de inrichtende macht in het ambt waarvoor het werd ontslagen, niet aanwenden om in de instelling of de pedagogische entiteit of het CLB waar het werd ontslagen het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in te roepen zoals bedoeld in § 3 van dit artikel.]]³

[[§ 7bis. Een personeelslid dat aangesteld is voor doorlopende duur en :

1° dat wordt ontslagen volgens artikel 64, 6°, kan de diensten die het vóór het ontslag presteerde in alle instellingen van de betrokken inrichtende macht die niet behoren tot een scholengemeenschap of in alle CLB’s van de betrokken inrichtende macht in het ambt waarin het werd ontslagen, niet meer in aanmerking nemen voor de berekening van de anciënniteit zoals bedoeld in § 3 en § 4 van dit artikel;

2° dat wordt ontslagen volgens artikel 47terdecies :

– kan de diensten die het vóór het ontslag presteerde in de instelling of de pedagogische entiteit of het CLB waar het werd ontslagen niet meer in aanmerking nemen voor de berekening van de anciënniteit zoals bedoeld in §§ 3 en 4 van dit artikel maar beperkt tot de diensten die gepresteerd werden in het ambt waarvoor het werd ontslagen;

– verliest het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur enkel in de instelling of de pedagogische entiteit of het CLB waar het werd ontslagen én beperkt tot het ambt waarin het werd ontslagen;

– kan vanaf het ogenblik van het ontslag op basis van diensten gepresteerd in een andere instelling of een ander CLB van de betrokken inrichtende macht ook geen recht meer laten gelden op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in de instelling of de pedagogische entiteit of het CLB waar het werd ontslagen, voor zover het gaat om een aanstelling in het ambt waarin het werd ontslagen;

3° een definitieve evaluatie met eindconclusie “onvoldoende” heeft gekregen in toepassing van artikel 47undecies , kan in afwachting van een nieuwe evaluatie geen aanspraak maken op een uitbreiding van zijn tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in de instelling of de pedagogische entiteit of het CLB waar en het ambt waarvoor het de evaluatie met eindconclusie “onvoldoende” heeft gekregen.

§ 7ter. Een personeelslid dat vast benoemd is en dat wordt ontslagen :

1° volgens artikel 64, 6°, kan de diensten die het vóór het ontslag presteerde in alle instellingen van de betrokken inrichtende macht die niet behoren tot een scholengemeenschap of in alle CLB’s van de betrokken inrichtende macht in het ambt waarin het werd ontslagen, niet meer in aanmerking nemen voor de berekening van de anciënniteit zoals bedoeld in §§ 3 en 4 van dit artikel;

2° volgens artikel 47terdecies , kan de diensten die het vóór het ontslag presteerde in de instelling of de pedagogische entiteit of het CLB waar het werd ontslagen niet meer in aanmerking nemen voor de berekening van de anciënniteit zoals bedoeld in §§ 3 en 4 van dit artikel maar beperkt tot de diensten die gepresteerd werden in het ambt waarvoor het werd ontslagen. Vanaf het ogenblik van het ontslag kan het personeelslid op basis van diensten gepresteerd in een andere instelling of een ander CLB van de betrokken inrichtende macht ook geen recht meer laten gelden op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in de instelling of de pedagogische entiteit of het CLB waar het werd ontslagen, voor zover het gaat om een aanstelling in het ambt waarin het werd ontslagen.

§ 7quater. Als een personeelslid na een ontslag volgens artikel 25 of artikel 64, 6°, opnieuw wordt aangeworven door de inrichtende macht, kan hij slechts beroep doen op het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur als hij opnieuw de anciënniteit opbouwt bedoeld in § 3. Hij kan daarbij ook geen beroep doen op diensten die hij vóór het ontslag presteerde in andere instellingen of in andere CLB’s van de betrokken inrichtende macht.

Als een personeelslid na een ontslag volgens artikel 24, artikel 47terdecies of artikel 47quaterdecies opnieuw wordt aangeworven door de inrichtende macht in de instelling of de pedagogische entiteit of het CLB en in het ambt waarin hij werd ontslagen, kan hij voor het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur opnieuw beroep doen op de diensten die hij vóór het ontslag presteerde.]]³

§ 8. Een personeelslid kan het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur laten gelden voor elke vacature die in de loop van het schooljaar ontstaat, op voorwaarde dat hij nog niet is aangesteld voor een voltijdse betrekking of geen voltijdse betrekking heeft waarvan hij titularis is.

§ 9. Wanneer een inrichtende macht over verscheidene vacatures beschikt, moet zij bij voorrang betrekkingen die definitief vacant zijn toewijzen aan personeelsleden met een recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur.

§ 10. Vastbenoemde personeelsleden die in één of meer instellingen of CLB’s van dezelfde inrichtende macht een betrekking met onvolledige prestaties in hoofdambt uitoefenen, komen voor een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur prioritair in aanmerking op personeelsleden die in de instellingen of CLB’s van deze inrichtende macht nog geen vaste benoeming hebben.

§ 11. Personeelsleden met recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur die hun betrekking niet effectief kunnen opnemen omwille van ziekte, een arbeidsongeval of moederschapsrust behouden hun recht op zulke aanstelling. Zij kunnen aangesteld worden en voor de duur van hun afwezigheid volgens de geldende regels vervangen worden.

§ 12. Behoudens andersluidende overeenkomst met de inrichtende macht en op straffe van verlies van zijn recht op de aangeboden betrekking, moet het personeelslid dat zijn recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur doet gelden, die betrekking in haar geheel aanvaarden, zoals ze wordt aangeboden.

Die bepaling is niet van toepassing op de personeelsleden die bij de betrokken inrichtende macht, een niet-voltijdse betrekking uitoefenen en deze opdracht willen uitbreiden.

De toepassing van deze paragraaf mag niet leiden tot onverantwoorde pedagogische opsplitsing van de te begeven opdracht.

§ 13. Indien een personeelslid met recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur de aanstelling van een ander personeelslid betwist, geeft de inrichtende macht inzage van de administratieve documenten van het personeelslid waarvan hij de aanstelling betwist.

§ 14. De inrichtende macht moet de beëindiging van een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur steeds schriftelijk motiveren en meedelen aan het personeelslid.

[[…]]³

§ 15. [[…]]³

§ 16. Personeelsleden die tijdelijk zijn aangesteld voor doorlopende duur in een CLB, kunnen met behoud van hun rechten op deze tijdelijke aanstelling van doorlopende duur, tijdelijk worden tewerkgesteld in :

1° een permanente ondersteuningscel, of

2° de stuurgroep, of

3° de internettensamenwerkingscel, of

4° een tijdelijk project, omschreven in het decreet van 1 december 1998 betreffende de centra voor leerlingenbegeleiding.]

Decr. 14-2-2003; [[ ]]¹ Decr. 10-7-2003; [[ ]]² 15-7-2005; [[ ]]³ Decr. 13-7-2007

[Art. 23bis.

[[§ 1. Dit artikel is van toepassing op de personeelsleden en de instellingen van het [[[basisonderwijs en het]]]¹ [[[…]]]² secundair onderwijs die tot een scholengemeenschap behoren.

§ 2. De inrichtende macht stelt een tijdelijk personeelslid aan voor een bepaalde of voor een doorlopende duur in een vacante en/of niet-vacante betrekking.

De tijdelijke aanstelling van doorlopende duur is een recht onder de voorwaarden van dit artikel.

§ 3. [[[Een personeelslid heeft recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur indien het in één of meer instellingen van dezelfde scholengemeenschap gespreid over ten minste drie schooljaren een dienstanciënniteit heeft van ten minste 720 dagen, waarvan 600 effectief gepresteerd, waarbij eveneens worden beschouwd als effectief gepresteerde dagen : zaterdagen, zondagen, wettelijke verlofdagen en schoolvakanties, voor zover deze binnen de aanstellingsperiode vallen. Het zwangerschapsverlof en de periode van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte en/of moederschapsbescherming worden tot een maximum van 210 dagen meegerekend als effectief gepresteerde dagen voorzover die dagen binnen de aanstellingsperiode vallen.]]]³

Wanneer het personeelslid het recht heeft verworven in één of meer instellingen van een scholengemeenschap, dan geldt dit recht voor betrekkingen in alle instellingen van deze scholengemeenschap.

Het personeelslid dat een beroep wenst te doen op dit recht moet, op straffe van verlies ervan voor het volgend schooljaar, vóór 15 juni met een ter post aangetekende brief kandideren bij een inrichtende macht van één van de instellingen van de scholengemeenschap. Deze kandidaatstelling geldt voor alle betrekkingen waarvoor het recht werd verworven en voor alle instellingen van de betrokken scholengemeenschap. [[[In afwijking van het voorgaande moet het personeelslid in het basisonderwijs dat een beroep wenst te doen op het recht van een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur, op straffe van verlies van zijn recht voor het schooljaar 2005-2006, vóór 15 juli 2005 bij een inrichtende macht van één van de instellingen van de scholengemeenschap in het basisonderwijs, kandideren met een ter post aangetekende brief.]]]²

Als het personeelslid diensten heeft gepresteerd bij een andere inrichtende macht dan deze waarbij hij zijn kandidatuur stelt, voegt hij bij zijn kandidaatstelling een lijst met de gepresteerde diensten om zijn aanspraak op het recht op een aanstelling van doorlopende duur te staven.

Als het personeelslid in één of meer instellingen van de scholengemeenschap een eerste maal effectief wordt aangesteld voor doorlopende duur in het ambt waarvoor hij het recht heeft verworven, dan geldt dit vanaf dat ogenblik als een over de schooljaren doorlopende kandidatuur voor dat ambt.

Het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur geldt niet voor de personeelsleden bedoeld in hoofdstuk IVbis voor wat betreft het volume van hun vastbenoemde opdracht, waarvoor zij een verlof hebben verkregen om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen.

§ 4. De anciënniteit bedoeld in § 3 wordt vastgesteld op 30 juni voorafgaand aan het schooljaar waarin het personeelslid zijn recht op de tijdelijke aanstelling van doorlopende duur laat gelden.

Voor de toepassing van dit artikel wordt de anciënniteit, in afwijking van artikel 6 en rekening houdend met artikel 77, berekend op basis van prestaties in één of meer instellingen van de betrokken scholengemeenschap en dit ongeacht het net waartoe de instellingen waarin deze prestaties werden verricht, behoren.

Voor het bepalen van de anciënniteit bedoeld in dit artikel wordt, in afwijking van artikel 6, § 1, a) , het aantal gepresteerde dagen niet met 1,2 vermenigvuldigd.

§ 5. Het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur geldt voor dat ambt waarin de in § 3 bedoelde anciënniteit is verworven en waarvoor het personeelslid het vereiste bekwaamheidsbewijs of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepaling of bij overgangsmaatregel, bezit.

Is de in § 3 bedoelde anciënniteit verworven in een ambt van leraar, dan geldt dit recht voor dit ambt en voor alle vakken en specialiteiten waarvoor het personeelslid een vereist bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepaling of bij overgangsmaatregel, bezit.

Is de in § 3 bedoelde anciënniteit verworven in een ambt van leraar voor een vak of een specialiteit waarvoor het personeelslid een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepaling of bij overgangsmaatregel, bezit, dan geldt dit recht voor dit ambt, dit vak of deze specialiteit en daarenboven ook voor alle vakken en specialiteiten waarvoor het personeelslid een vereist bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepaling of bij overgangsmaatregel, bezit.

§ 6. Een personeelslid dat krachtens § 5 recht verworven heeft op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur, verliest dit recht in het betrokken ambt wanneer hij vervolgens vijf opeenvolgende schooljaren geen diensten heeft gepresteerd in één of meer instellingen van deze scholengemeenschap.

§ 7. [[[Een personeelslid dat aangesteld is voor bepaalde duur en dat wordt ontslagen :

1° volgens artikel 25, kan de diensten die het vóór het ontslag presteerde in alle instellingen van de scholengemeenschap in het ambt waarin het werd ontslagen, niet meer in aanmerking nemen voor de berekening van de anciënniteit zoals bedoeld in §§ 3 en 4 van dit artikel;

2° volgens artikel 24 of 47quaterdecies , kan de diensten die het vóór het ontslag presteerde in de instelling of de pedagogische entiteit waar het werd ontslagen niet meer in aanmerking nemen voor de berekening van de anciënniteit zoals bedoeld in §§ 3 en4 van dit artikel maar beperkt tot de diensten die gepresteerd werden in het ambt waarvoor het werd ontslagen. Het personeelslid kan daarenboven de diensten die het gepresteerd heeft bij andere instellingen van de scholengemeenschap in het ambt waarvoor het werd ontslagen, niet aanwenden om in de instelling of de pedagogische entiteit waar het werd ontslagen het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in te roepen zoals bedoeld in § 3 van dit artikel.]]]³

[[[§ 7bis. Een personeelslid dat aangesteld is voor doorlopende duur en :

1° dat wordt ontslagen volgens artikel 64, 6°, kan de diensten die het vóór het ontslag presteerde in alle instellingen van de scholengemeenschap in het ambt waarin het werd ontslagen, niet meer in aanmerking nemen voor de berekening van de anciënniteit zoals bedoeld in § 3 en § 4 van dit artikel;

2° dat wordt ontslagen volgens artikel 47terdecies :

– kan de diensten die het vóór het ontslag presteerde in de instelling of de pedagogische entiteit waar het werd ontslagen niet meer in aanmerking nemen voor de berekening van de anciënniteit zoals bedoeld in § 3 en § 4 van dit artikel maar beperkt tot de diensten die gepresteerd werden in het ambt waarvoor het werd ontslagen;

– verliest het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur enkel in de instellingof de pedagogische entiteit waar het werd ontslagen én beperkt tot het ambt waarin het werd ontslagen;

– kan vanaf het ogenblik van het ontslag op basis van diensten gepresteerd in een andere instelling van de scholengemeenschap ook geen recht meer laten gelden op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in de instelling of de pedagogische entiteit waar het werd ontslagen, voorzover het gaat om een aanstelling in het ambt waarin het werd ontslagen;

3° een definitieve evaluatie met eindconclusie “onvoldoende” heeft gekregen in toepassing van artikel 47undecies , kan in afwachting van een nieuwe evaluatie geen aanspraak maken op een uitbreiding van zijn tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in de instelling of de pedagogische entiteit waar en het ambt waarvoor het de evaluatie met eindconclusie “onvoldoende” heeft gekregen.

§ 7ter. Een personeelslid dat vast benoemd is en dat wordt ontslagen :

1° volgens artikel 64, 6°, kan de diensten die het vóór het ontslag presteerde in alle instellingen van de scholengemeenschap in het ambt waarin het werd ontslagen, niet meer in aanmerking nemen voor de berekening van de anciënniteit zoals bedoeld in § 3 en § 4 van dit artikel;

2° volgens artikel 47terdecies , kan de diensten die het vóór het ontslag presteerde in de instelling of de pedagogische entiteit waar het werd ontslagen niet meer in aanmerking nemen voor de berekening van de anciënniteit zoals bedoeld in §§ 3 en 4 van dit artikel maar beperkt tot de diensten die gepresteerd werden in het ambt waarvoor het werd ontslagen. Vanaf het ogenblik van het ontslag kan het personeelslid op basis van diensten gepresteerd in een andere instelling van de scholengemeenschap ook geen recht meer laten gelden op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in de instelling of de pedagogische entiteit waar het werd ontslagen, voor zover het gaat om een aanstelling in het ambt waarin het werd ontslagen.

§ 7quater. Als een personeelslid na een ontslag volgens artikel 25 of artikel 64, 6°, opnieuw wordt aangesteld in een instelling van de scholengemeenschap, kan hij slechts beroep doen op het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur als hij opnieuw de anciënniteit opbouwt bedoeld in § 3. Hij kan daarbij ook geen beroep doen op diensten die hij vóór het ontslag presteerde in andere instellingen van de scholengemeenschap.

Als een personeelslid na een ontslag volgens artikel 24, artikel 47terdecies of artikel 47quaterdecies opnieuw wordt aangeworven door de inrichtende macht in de instelling of de pedagogische entiteit én in het ambt waarin hij werd ontslagen, kan hij voor het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur opnieuw beroep doen op de diensten die hij vóór het ontslag presteerde.]]]³

§ 8. Een personeelslid kan het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur laten gelden voor elke vacature die in de loop van het schooljaar ontstaat, op voorwaarde dat hij nog niet is aangesteld voor een voltijdse betrekking of geen voltijdse betrekking heeft waarvan hij titularis is.

§ 9. Wanneer een inrichtende macht over verscheidene vacatures beschikt, moet zij bij voorrang betrekkingen die definitief vacant zijn toewijzen aan personeelsleden met een recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur.

§ 10. Vastbenoemde personeelsleden die in één of meer instellingen van dezelfde scholengemeenschap een betrekking met onvolledige prestaties in hoofdambt uitoefenen, komen voor een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur prioritair in aanmerking op personeelsleden die in de instellingen van deze scholengemeenschap nog geen vaste benoeming hebben.

§ 11. Personeelsleden met recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur die hun betrekking niet effectief kunnen opnemen omwille van ziekte, een arbeidsongeval of moederschapsrust behouden hun recht op zulke aanstelling. Zij kunnen aangesteld worden en voor de duur van hun afwezigheid volgens de geldende regels vervangen worden.

§ 12. Behoudens andersluidende overeenkomst met de inrichtende macht en op straffe van verlies van zijn recht op de aangeboden betrekking, moet het personeelslid dat zijn recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur doet gelden, die betrekking in haar geheel aanvaarden, zoals ze wordt aangeboden.

Die bepaling is niet van toepassing op de personeelsleden die bij de betrokken scholengemeenschap, een niet-voltijdse betrekking uitoefenen en deze opdracht willen uitbreiden.

De toepassing van deze paragraaf mag niet leiden tot onverantwoorde pedagogische opsplitsing van de te begeven opdracht.

§ 13. Indien een personeelslid met recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur de aanstelling van een ander personeelslid betwist, geeft de inrichtende macht inzage van de administratieve documenten van het personeelslid waarvan hij de aanstelling betwist.

§ 14. De inrichtende macht moet de beëindiging van een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur steeds schriftelijk motiveren en meedelen aan het personeelslid.

[[[…]]]³

§ 15. [[[…]]]³

§ 16. Een personeelslid heeft geen recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in de scholengemeenschap indien het geen diensten heeft gepresteerd in instellingen van de scholengemeenschap. Het personeelslid heeft wel recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in die instellingen van de scholengemeenschap die afhangen van dezelfde inrichtende macht als deze waar hij het recht op tijdelijke aanstelling met doorlopende duur heeft verworven.]] ]

Decr. 14-7-1998; [[ ]] Decr. 14-2-2003; [[[ ]]]¹ Decr. 10-7-2003; [[[ ]]]² Decr. 15-7-2005; [[[ ]]]³ Decr. 13-7-2007

[Art. 23ter.

[[…]] ]

Decr. 1-12-1998; [[ ]] Decr. 14-2-2003

Art. 24.

[§ 1. De inrichtende macht kan een personeelslid dat tijdelijk aangesteld is voor bepaalde duur met een opzeggingstermijn van dertig kalenderdagen ontslaan. De redenen van dit ontslag kunnen enkel en alleen verband houden met een tekortkoming aan zijn plichten.

Het ontslag bedoeld in het eerste lid wordt schriftelijk gemotiveerd en aan het personeelslid betekend conform artikel 27.

§ 2. Wanneer het personeelslid wiens aanstelling met toepassing van § 1 wordt beëindigd, reeds eerder bij tuchtmaatregel was teruggezet tot de tijdelijke aanstelling, wordt, zo nodig, de duur van de opzeggingstermijn verlengd afhankelijk van het aantal arbeidsdagen die nodig zijn om aanspraak te hebben op de uitkeringen van de werkloosheids- en de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering. Tijdens deze opzeggingstermijn is artikel 21, § 1, b en f, niet van toepassing.

Tijdens deze opzeggingstermijn geniet het personeelslid het brutosalaris van het ambt waarin het, voor zijn terugzetting, vast benoemd was.

Het personeelslid kan geheel of gedeeltelijk afstand doen van deze opzeggingstermijn.]

Decr. 13-7-2007

Art. 25.

[De inrichtende macht kan elk personeelslid dat tijdelijk aangesteld is voor bepaalde duur zonder opzegging om dringende redenen ontslaan. Naargelang de aard van deze redenen kan de inrichtende macht beslissen dat dit ontslag betrekking heeft op één, meerdere of al haar instellingen.]

Onder dringende redenen wordt verstaan de ernstige tekortkoming die het voortduren van de tijdelijke aanstelling onmiddellijk en definitief onmogelijk maakt. Ontslag om dringende redenen overeenkomstig de bepalingen van dit artikel kan niet meer worden gegeven, wanneer het feit ter rechtvaardiging ervan sedert ten minste drie werkdagen bekend is aan de inrichtende macht of zijn gemandateerde.

Alleen de dringende redenen waarvan kennis is gegeven bij een ter post aangetekende brief, verzonden binnen drie werkdagen na het ontslag, kunnen worden aangewend ter rechtvaardiging van het ontslag.

[Het personeelslid kan binnen vijf kalenderdagen na ontvangst van het ontslag om dringende redenen bij een ter post aangetekende brief beroep aantekenen bij de in artikel 69 bedoelde bevoegde kamer van beroep. Het aantekenen van beroep schort het ontslag op. Bij ontvangst van het ontslag tijdens een periode van ten minste zeven opeenvolgende vakantiedagen, wordt voornoemde periode van vijf kalenderdagen verlengd met de duur van de vakantieperiode. De inrichtende macht kan het personeelslid tijdens voormelde beroepsprocedure preventief schorsen volgens artikel 67. Deze preventieve schorsing beslaat de periode vanaf het ogenblik dat de beslissing aan het betrokken personeelslid wordt meegedeeld en tot de beroepsprocedure is beëindigd, met dien verstande dat de periode alleszins nooit langer kan zijn dan de oorspronkelijke tijdelijke aanstelling waarop het ontslag betrekking heeft.

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regelen van de beroepsprocedure en waarborgt de rechten van verdediging van de betrokken personeelsleden. De kamer van beroep doet in laatste aanleg uitspraak over het beroep.]

Decr. 13-7-2007

Art. 26.

[Een personeelslid dat tijdelijk aangesteld is voor bepaalde duur] kan vrijwillig zijn ambt neerleggen met inachtneming van een opzeggingstermijn van zeven kalenderdagen.

De inrichtende macht of haar gemandateerde kan met een kortere termijn instemmen. Die instemming blijkt uit een geschrift; het vermeldt de datum van ambtsneerlegging en wordt door beide partijen ondertekend.

Decr. 13-7-2007

Art. 27.

Op straffe van nietigheid dient de kennisgeving van het ontslag het begin en de duur van de opzeggingstermijn te vermelden. Indien de opzegging uitgaat van het personeelslid, geschiedt de kennisgeving van de opzegging, op straffe van nietigheid, door afgifte aan de gemandateerde van de inrichtende macht van een geschrift. De handtekening van de gemandateerde van de inrichtende macht op het duplicaat van dit geschrift geldt enkel als bericht van kennisneming. De kennisgeving kan ook geschieden bij een ter post aangetekende brief die uitwerking heeft de derde werkdag na datum van verzending, hetzij bij gerechtsdeurwaardersexploot.

Indien de opzegging uitgaat van de inrichtende macht, kan de kennisgeving van de opzegging, op straffe van nietigheid, enkel geschieden hetzij bij ter post aangetekende brief die uitwerking heeft op de derde werkdag na de datum van verzending, hetzij bij gerechtsdeurwaardersexploot, met dien verstande dat het personeelslid die nietigheid niet kan dekken en dat ze door de rechter van ambtswege wordt vastgesteld.

Art. 28.

Onverminderd het bepaalde in artikel 21, § 1, wordt de uitvoering van de tijdelijke aanstelling opgeschort gedurende de periodes bepaald door de artikelen 28, 2° , 29 en 31 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.

Art. 29.

Bij opzegging door de inrichtende macht voor of tijdens de opschorting van de tijdelijke aanstelling of voor of tijdens een periode van ten minste zeven opeenvolgende vakantiedagen, wordt de opzeggingstermijn opgeschort tijdens deze periode, behoudens bij toepassing van artikel 21, § 1.

Afdeling 3. – Benoeming in vast verband

Art. 30.

De inrichtende macht kan een vacante betrekking in een wervingsambt slechts door benoeming toewijzen :

1° indien zij, overeenkomstig de ter zake geldende bepalingen, die betrekking niet ingevolge de bepalingen inzake reaffectatie of wedertewerkstelling moet toewijzen aan een wegens ontstentenis van betrekking ter beschikking gesteld personeelslid;

2° indien de betrekking niet reeds door mutatie [of affectatie] is toegewezen.

Decr. 21-12-1994

Art. 31.

[§ 1. [[Een personeelslid kan in vast verband worden benoemd als hij op het ogenblik van de vaste benoeming voldoet aan de voorwaarden bepaald in artikel 19 en, rekening houdend met artikel 77, daarenboven :

1° op 30 juni voorafgaand aan de datum waarop de benoeming ingaat ten minste 720 dagen dienstanciënniteit heeft waarvan 360 dagen in het bedoelde ambt. Voor het administratief personeel, de administratief medewerker in het basisonderwijs en het gewoon secundair onderwijs en de personeelsleden van de CLB’s moeten de bedoelde 720 dagen dienstanciënniteit bereikt zijn op 31 augustus voorafgaand aan de datum waarop de benoeming ingaat. Deze anciënniteit moet hij hebben bereikt :

– ofwel bij de betrokken inrichtende macht wat de instellingen of CLB’s betreft die niet tot de scholengemeenschap behoren;

– ofwel bij de betrokken inrichtende macht en/of bij een andere inrichtende macht, beide voor wat de instellingen betreft die tot dezelfde scholengemeenschap behoren. Wanneer de inrichtende macht toepassing maakt van deze bepaling, kan ze eisen dat bij haar een dienstanciënniteit van ten minste 360 dagen,waarvan 240 effectief gepresteerd, werd verworven;

– ofwel bij een andere inrichtende macht wanneer het een wegens ontstentenis van betrekking ter beschikking gesteld personeelslid betreft, tenzij het personeelslid ter beschikking gesteld werd wegens ontstentenis van betrekking in een instelling van een ander net of voor het gesubsidieerd vrij onderwijs van een ander karakter of een andere groep.

Indien het een leraar betreft in het bezit van een voldoende geacht of gelijkwaardig geacht bekwaamheidsbewijs kan de inrichtende macht eisen dat van de 720 dagen er 360 werden gepresteerd in de opleiding, de module, het vak of de specialiteit van de vacant verklaarde betrekking;

2° kandidaat heeft gesteld in de vorm en binnen de termijn vermeld in de oproep tot de kandidaten;

3° op 31 december voorafgaand aan de vaste benoeming voor doorlopende duur is aangesteld in het ambt waarvoor hij zich kandidaat heeft gesteld.

Behoort de instelling of het CLB waar het personeelslid voor doorlopende duur is aangesteld, niet tot een scholengemeenschap, dan vervult het personeelslid deze voorwaarde voor alle instellingen of CLB’s van de inrichtende macht die niet tot een scholengemeenschap behoren.

Behoort de instelling waar het personeelslid voor doorlopende duur is aangesteld, tot een scholengemeenschap, dan vervult het personeelslid deze voorwaarde voor alle instellingen van de scholengemeenschap.

Is het personeelslid op 31 december voor doorlopende duur aangesteld in het ambt van leraar, dan geldt dit als een aanstelling in dat ambt voor alle opleidingen, modules of vakken en specialiteiten waarvoor het personeelslid het recht op een aanstelling van doorlopende duur heeft opgebouwd, zoals bepaald in artikel 23, § 5, en artikel 23bis, § 5.

De bepaling van het eerste lid is niet van toepassing :

– op een personeelslid dat werd aangesteld bijwijze van reaffectatie of wedertewerkstelling;

– op een personeelslid bedoeld in hoofdstukIVbis voor wat betreft het volume van zijn opdracht waarvoor hij is vast benoemd en waarvoor hij een verlof heeft verkregen om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen. Dit personeelslid moet, voorzover hij het ambt van leraar uitoefent, 360 dagen dienstanciënniteit hebben verworven in de opleiding, de module, het vak of de specialiteit van de vacant verklaarde betrekking;

4° als laatste evaluatie in het betrokken ambt geen evaluatie met de eindconclusie “onvoldoende” verkregen heeft bij de inrichtende macht waar de vacante betrekking zich situeert. Als het personeelslid de evaluatie met eindconclusie “onvoldoende” kreeg in een instelling van de inrichtende macht die behoort tot een scholengemeenschap, dan geldt deze bepaling voor alle instellingen van deze inrichtende macht die behoren tot deze scholengemeenschap. Als het personeelslid de evaluatie met eindconclusie “onvoldoende” kreeg in een instelling van de inrichtende macht die niet behoort tot een scholengemeenschap, dan geldt deze bepaling voor alle instellingen van deze inrichtende macht die niet behoren tot een scholengemeenschap. Als het personeelslid niet werd geëvalueerd, wordt deze voorwaarde geacht voldaan te zijn. De benoeming is slechts mogelijk indien de betrekking in hoofdambt wordt uitgeoefend.]]²

§ 2. In de instellingen en CLB’s van het gesubsidieerd vrij onderwijs wordt elke benoeming in een wervingsambt en elke wijziging ervan schriftelijk vastgesteld. De overeenkomst vermeldt ten minste :

1° de benaming en het adres van de inrichtende macht en van de instelling of het CLB waarin het personeelslid tewerkgesteld wordt;

2° de identiteit van het personeelslid;

3° het uit te oefenen ambt en de omvang van de opdracht;

4° in voorkomend geval, het pedagogisch project, de aanvullende verplichtingen en onverenigbaarheden.

De overeenkomst van benoeming wordt opgemaakt in ten minste twee exemplaren, waarvan één bestemd voor het personeelslid.

§ 3. In de instellingen of CLB’s van het gesubsidieerd officieel onderwijs wordt elke benoeming in een wervingsambt en elke wijziging ervan vastgesteld bij besluit van de inrichtende macht. Het besluit vermeldt ten minste :

1° de benaming en het adres van de inrichtende macht en van de instelling of het CLB waarin het personeelslid tewerkgesteld wordt;

2° de identiteit van het personeelslid;

3° het uit te oefenen ambt en de omvang van de opdracht;

4° in voorkomend geval, het pedagogisch project, de aanvullende verplichtingen en onverenigbaarheden.

Een afschrift van dit besluit wordt meegedeeld aan het betrokken personeelslid.

§ 4. Bij ontstentenis van hetzij de schriftelijke overeenkomst bedoeld in § 2, hetzij het besluit bedoeld in § 3, wordt het personeelslid geacht vast benoemd te zijn voor het ambt, voor de opdracht en in de betrekking die het werkelijk uitoefent.

§ 5. [[…]]¹

§ 6. Het personeelslid wordt benoemd bij een inrichtende macht en geaffecteerd aan een instelling of een CLB van deze inrichtende macht.

§ 7. Bij het vaststellen van de in § 1, 1°, bedoelde anciënniteit kan de inrichtende macht ook rekening houden met de diensten gepresteerd bij een andere inrichtende macht.

§ 8. De Vlaamse regering bepaalt de regels volgens welke [[de vaste benoeming, de nieuwe affectatie en de mutatie worden meegedeeld]]¹ aan het departement onderwijs [[opdat zij zouden]]¹ uitwerking hebben ten aanzien van de overheid.

§ 9. De Vlaamse regering bepaalt de gevolgen van een nieuwe vaste benoeming ten aanzien van de door het betrokken personeelslid voorheen reeds verkregen vaste benoeming, met dien verstaande dat een personeelslid slechts vast benoemd kan zijn ten belope van maximaal één voltijdse betrekking in hoofdambt. Het voltijds karakter wordt bepaald in functie van de prestaties vereist voor een voltijdse betrekking in het ambt van de nieuwe benoeming.]

Decr. 14-2-2003; [[ ]]¹ Decr. 7-7-2006; [[ ]]² Decr. 13-7-2007

[Art. 31bis.

[[…]] ]

Decr. 14-7-1998; [[ ]] Decr. 14-2-2003

[Art. 31ter.

[[…]] ]

Decr. 1-12-1998; [[ ]] Decr. 14-2-2003

Art. 32.

Onverminderd de reglementering inzake terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking en reaffectatie geldt de vaste benoeming binnen dezelfde categorie en binnen eenzelfde soort :

a) voor het ambt waarvoor het vast benoemd is en, behalve voor de personeelsleden van het hoger onderwijs van het korte type en van het hoger kunstonderwijs, voor alle vakken en specialiteiten van dat ambt waarvoor het betrokken personeelslid het vereiste of het gelijkwaardig geacht bekwaamheidsbewijs heeft;

b) voor het ambt, en voor de leraars, het vak of deze specialiteit waarin het betrokken personeelslid zijn opdracht uitoefent op het ogenblik van de vaste benoeming en waarvoor het vast benoemd is, indien het personeelslid vast benoemd wordt met een voldoend geacht of het gelijkwaardig geacht bekwaamheidsbewijs.

Voor de toepassing van dit artikel dient onder “soort” begrepen : het wervings-, selectie- of bevorderingsambt.

[Art. 32bis.

§ 1. In afwijking van artikel 32 geldt voor het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs [[en het onderwijs voor sociale promotie]] dit artikel.

§ 2. Onverminderd de reglementering inzake terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking en reaffectatie geldt de draagwijdte van de vaste benoeming binnen dezelfde categorie en binnen eenzelfde soort ambt :

1° voor het ambt en het volume van de betrekking waarvoor het personeelslid vast benoemd is, en voor de leraren, voor alle vakken en specialiteiten van dat ambt waarvoor betrokkene het vereiste of het hiermee gelijkwaardig geacht bekwaamheidsbewijs heeft;

2° voor het ambt en het volume van de betrekking waarvoor het personeelslid vast benoemd is, en voor de leraren, het vak of de specialiteit waarin betrokkene zijn opdracht uitoefent op het ogenblik van de vaste benoeming, indien het personeelslid vast benoemd is met een voldoende geacht of het hiermee gelijkwaardig geacht bekwaamheidsbewijs.

§ 3. Voor de toepassing van dit artikel worden als vereiste en voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen beschouwd, zowel de door organieke bepalingen als door overgangsbepalingen erkende bekwaamheidsbewijzen.

§ 4. Voor de toepassing van dit artikel dient onder soort ambt te worden begrepen : het wervings-, selectie- of bevorderingsambt.]

Decr. 14-7-1998; [[ ]] Decr. 2-3-1999

[Art. 32ter.

§ 1. In afwijking van artikel 32 geldt voor de CLB’s dit artikel.

§ 2. Onverminderd de reglementering inzake terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking en reaffectatie geldt de draagwijdte van de vaste benoeming binnen dezelfde categorie en binnen eenzelfde soort ambt voor het ambt en het volume van de betrekking waarvoor het personeelslid vast benoemd is.

§ 3. Voor de toepassing van dit artikel worden als vereiste bekwaamheidsbewijzen beschouwd, zowel de door organieke bepalingen als door overgangsbepalingen erkende bekwaamheidsbewijzen.]

Decr. 1-12-1998

Art. 33.

§ 1. Behoudens andersluidende overeenkomst in het bevoegd paritair comité en onverminderd de bepalingen inzake de reaffectatie en wedertewerkstelling, deelt de inrichtende macht ieder schooljaar, [vóór 15 mei,]² aan de personeelsleden die de voorwaarden voor vaste benoeming vervullen, de vacante betrekkingen mee. [ [[Behoort een instelling]] tot een scholengemeenschap dan deelt de inrichtende macht van die instelling de vacante betrekkingen in haar instellingen die behoren tot die scholengemeenschap mee aan de personeelsleden van de scholengemeenschap die de voorwaarden voor vaste benoeming vervullen.]¹ De vacante betrekkingen worden vastgesteld [in functie van de toestand op 15 april]² van dat jaar.

[ ]¹ Decr. 14-7-1998; [ ]² Decr. 18-5-1999; [[ ]] Decr. 15-7-2005

[Voor de vaste benoemingen in het basisonderwijs op 1 januari 2006 deelt het schoolbestuur voor de instellingen die vanaf 1 september 2005 tot een scholengemeenschap behoren de vacante betrekkingen mee na 15 oktober 2005 en voor 15 november 2005. De vacante betrekkingen worden vastgesteld in functie van de toestand op 15 oktober 2005.

De vacante betrekkingen die werden meegedeeld voor 15 mei 2005 op basis van de toestand op 15 april 2005 hebben geen uitwerking.

Het tweede en derde lid van deze paragraaf zijn niet van toepassing indien het schoolbestuur in toepassing van het eerste lid reeds aan alle personeelsleden van alle instellingen die op 1 september 2005 deel uitmaken van de scholengemeenschap en die de voorwaarden voor vaste benoeming vervullen, de vacante betrekkingen heeft meegedeeld.]

Decr. 15-7-2005

[ In het buitengewoon secundair onderwijs, met uitzondering van de internaten, deelt de inrichtende macht voor het schooljaar 2006-2007 de vacante betrekkingen in de categorie van het ondersteunend personeel mee na 15 september 2006 en voor 15 oktober 2006. De vacante betrekkingen worden vastgesteld op basis van de toestand op 15 september 2006.

De vacante betrekkingen in de categorie van het opvoedend hulppersoneel en administratief personeel die werden meegedeeld voor 15 mei 2006 op basis van de toestand op 15 april 2006 hebben geen uitwerking.]

Decr. 7-7-2006

[Met het oog op de vaste benoemingen in de centra voor volwassenenonderwijs op 1 januari 2007 worden de vacante betrekkingen in het vak of de specialiteit grafische technieken in de vierde graad BSO die, rekening houdend met artikel 57 van het decreet van 2 maart 1999 tot regeling van een aantal gelegenheden van het volwassenenonderwijs, worden meegedeeld aan de personeelsleden die de voorwaarden voor een vaste benoeming vervullen, beschouwd als vacante betrekkingen in het vak of de specialiteit grafische technieken in de derde graad TSO.]

Decr. 7-7-2006

[In de CLB’s deelt de inrichtende macht voor het schooljaar 2000-2001 de vacante betrekkingen mee tot uiterlijk 15 oktober 2001.]

Decr. 14-2-2003

[In het buitengewoon secundair onderwijs deelt de inrichtende macht voor het schooljaar 2002-2003 de vacant verklaarde betrekkingen in de opleidingsvorm 3 van het buitengewoon secundair onderwijs mee na 15 november en vóór 15 december 2002. De vacante betrekkingen worden vastgesteld in functie van de toestand op 15 november 2002. In het gewoon secundair onderwijs deelt de inrichtende macht voor het schooljaar 2002-2003 de vacante betrekkingen in de vakken AV gedragswetenschappen en AV cultuurwetenschappen in de studierichting humane wetenschappen mee na 15 oktober en vóór 15 november 2002. Deze vacante betrekkingen worden vastgesteld in functie van de toestand op 15 oktober 2002. In het gewoon secundair onderwijs deelt de inrichtende macht de vacante betrekkingen in het vak AV sport mee na 15 oktober en vóór 15 november 2002. De vacante betrekkingen worden vastgesteld in functie van de toestand op 15 oktober 2002. De vacante betrekkingen in opleidingsvorm 3 van het buitengewoon secundair onderwijs en voor de vakken die werden meegedeeld vóór 15 mei 2002 op basis van de toestand op 15 april 2002, hebben geen uitwerking. De vacante betrekkingen in de vakken TV en PV sport die in toepassing van artikel 33, § 1, werden vacant verklaard tijdens het schooljaar 2001-2002, hebben geen uitwerking ten aanzien van de overheid.]

Decr. 14-2-2003

Het bericht bevat een duidelijke omschrijving van de aangeboden betrekkingen en vermeldt de vorm waarin en de termijn waarbinnen moet worden gekandideerd. Dit bericht wordt aan alle in het eerste lid bedoelde personeelsleden met bewijs van ontvangst meegedeeld.

De vaste benoeming gaat in op 1 januari van het volgend schooljaar en kan enkel geschieden voor zover de betrekkingen bedoeld in het eerste lid op die datum nog vacant zijn.

§ 2. De Vlaamse Regering kan voor de categorieën van personeelsleden die ze aanwijst, de vaste benoeming afhankelijk maken van een onderwijsopdracht waarvan zij het minimum bepaalt. Bij de vaststelling van de categorieën zal de Vlaamse Regering zich inzonderheid laten leiden door de situatie op de arbeidsmarkt en door het aantal wegens ontstentenis van betrekking in deze categorie ter beschikking gestelde vast benoemde personeelsleden en de specifieke kenmerken van sommige ambten, vakken en specialiteiten.

[§ 3. Met ingang van 1 februari 1994 en tot een door de Vlaamse regering te bepalen datum kan een vaste benoeming geen uitwerking hebben ten aanzien van de overheid

(voetnoot 2)

indien ze wordt uitgesproken :

– in het voltijds secundair onderwijs in het ambt van leraar met de specialiteit huishoudkunde, de specialiteit kleding en de specialiteit verpleegkunde, ongeacht de graad van de onderwijsvorm en ongeacht of het een technisch of een praktisch vak betreft;

– in het buitengewoon secundair onderwijs van de opleidingsvormen 1, 2 en 3 in het ambt van leraar algemene en sociale vorming, specialiteit lichamelijke opvoeding;

– in het buitengewoon secundair onderwijs van de opleidingsvorm 3 in de ambten van leraar beroepsgerichte vorming met de specialiteit gezinstechnieken, de specialiteit kleding en de specialiteit textiel;

– in het buitengewoon secundair onderwijs van de opleidingsvorm 4 in het ambt van leraar met de specialiteit kleding, de specialiteit gezinstechnieken en de specialiteit textiel, ongeacht of het een technisch of een praktisch vak betreft;

– in het buitengewoon secundair onderwijs van de opleidingsvorm 4 in het ambt van leraar in het algemeen vak lichamelijke opvoeding, ongeacht de graad en de onderwijsvorm.

De bepalingen van voorgaand lid zijn niet van toepassing op de wegens ontstentenis van betrekking ter beschikking gestelde personeelsleden die [[…]] voor een vaste benoeming in aanmerking komen.]

Decr. 15-12-1993 ; [[ ]] Decr. 21-12-1994

Art. 34.

[§ 1.] Een betrekking die, hetzij deel uitmaakt van een instelling, afdeling, vestigingsplaats, graad, cyclus of andere onderverdeling die ingevolge de toepassing van rationalisatieregelen in progressieve opheffing is, hetzij slechts voor een beperkte duur kan worden gesubsidieerd, komt niet in aanmerking voor een vacantverklaring of een benoeming in vast verband. Dit artikel is niet van toepassing op het administratief en technisch personeel van de centra.

[§ 2. In afwijking op § 1 komt een betrekking die wordt ingericht in uren-leraar, lesuren of lestijden die worden toegekend in het kader van het geïntegreerd onderwijs in het basis- en secundair onderwijs en het onthaalonderwijs voor anderstalige nieuwkomers in het gewoon basis- en secundair onderwijs, wel in aanmerking voor vacantverklaring en vaste benoeming. Deze bepaling geldt voor zover de betrekking in toepassing van de rationalisatieregelen niet onderhevig is aan progressieve opheffing zoals bepaald in § 1.]

Decr. 7-5-2004

Art. 35.

§ 1. Het personeelslid dat voor een vaste benoeming in verschillende betrekkingen kandideert, moet voor iedere betrekking een afzonderlijke kandidatuur indienen.

Indien het identieke betrekkingen in hetzelfde ambt betreft volstaat evenwel één kandidatuurstelling.

§ 2. Bij de vaste benoeming geniet het personeelslid dat een dienstanciënniteit heeft van ten minste 960 dagen gepresteerd bij de inrichtende macht in een betrekking van de betrokken categorie, bij deze inrichtende macht voorrang boven een kandidaat die deze anciënniteit niet heeft. [De 960 dagen moeten worden bereikt op 30 juni voorafgaand aan de datum waarop de vaste benoeming ingaat, behalve voor het technisch en administratief personeel waarvoor de bedoelde 960 dagen moeten worden bereikt op 31 augustus voorafgaand aan de datum waarop de vaste benoeming ingaat.]¹ [Voor scholen behorend tot een scholengemeenschap :

– mag voor de vaststelling van deze 960 dagen ook rekening gehouden worden met diensten gepresteerd bij een andere inrichtende macht behorend tot dezelfde scholengemeenschap;

– geldt de verworven voorrang voor alle scholen van deze scholengemeenschap.]²

[ ]¹ Decr. 21-12-1994; [ ]² Decr. 18-5-1999

§ 3. De bij een inrichtende macht vast benoemde personeelsleden hebben, met het oog op de uitbreiding van hun vaste benoeming voorrang op tijdelijke personeelsleden voor een overeenkomstig artikel 33, § 1, eerste lid vacant verklaarde betrekkingen, op voorwaarde dat zij :

– ofwel in het bezit zijn van het vereiste bekwaamheidsbewijs voor de aangeboden prestaties en – wat de personeelsleden van het hoger onderwijs van het korte type en van het hoger kunstonderwijs betreft – zij daarenboven bij dezelfde inrichtende macht vast benoemd werden voor hetzelfde ambt en voor de leraar de vakken of specialiteit als de aangeboden prestaties;

– ofwel in het bezit zijn van een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs en zij daarenboven bij dezelfde inrichtende macht voorafgaandelijk reeds vast benoemd werden in hetzelfde ambt en voor de leraars in hetzelfde vak of dezelfde specialiteit als de aangeboden prestaties.

[…]

Decr. 14-2-2003

[De in deze paragraaf bedoelde voorrang geldt niet alleen voor alle instellingen van de betrokken inrichtende macht, maar desgevallend eveneens voor alle instellingen van de scholengemeenschap waartoe de instelling behoort waarin het betrokken personeelslid reeds deeltijds vast benoemd is.]

Decr. 18-5-1999

Deze voorrang kan niet worden ingeroepen ten aanzien van tijdelijke personeelsleden die op het ogenblik van het van kracht worden van dit decreet in dienst zijn bij de betrokken inrichtende macht en aan de voorwaarden van artikel 23, § 1, 1° , voldoen.

[§ 4. Voor de scholen van het basisonderwijs gelden de bepalingen met betrekking tot de scholengemeenschappen zoals bedoeld in § 2 en § 3 niet voor de schooljaren 2003-2004 en 2004-2005.]

Decr. 10-7-2003

[Art. 35bis.

§ 1. [[…]].

§ 2. Het personeelslid dat de leeftijd van 55 jaar heeft bereikt, wordt op zijn verzoek vast benoemd in een vacante betrekking in een wervingsambt, op voorwaarde dat hij :

1° de voorwaarden vervult voor vaste benoeming;

2° de vaste benoeming bij de inrichtende macht aanvraagt;

3° vanaf 1 februari voorafgaand aan de datum van vaste benoeming in dienst is in de instelling waar de betrekking te begeven is;

4° tijdelijk personeelslid is of voor een onvolledige betrekking vast benoemd is.

De betrekking hoeft niet vacant verklaard te worden.

Die vaste benoeming heeft steeds 1 januari als ingangsdatum.

§ 3. Een inrichtende macht raad heeft de mogelijkheid om het personeelslid dat bij haar wordt gereaffecteerd of wedertewerkgesteld in een vacante betrekking, op zijn verzoek vast te benoemen in die betrekking.

De betrekking hoeft niet vacant verklaard te worden.

Die vaste benoeming heeft steeds 1 januari als ingangsdatum.]

Decr. 14-7-1998; [[ ]] Decr. 8-6-2000

Art. 36.

[§ 1.] Bij gebrek aan kandidaten, leden van haar personeel, die voldoen aan de voorwaarden van artikel 31, kan de inrichtende macht een personeelslid van een instelling of centrum, behorend tot een andere inrichtende macht van hetzelfde net, op zijn verzoek benoemen indien het voldoet aan de voorwaarden van artikel 31, § 1, de 2° voorwaarde uitgezonderd.

§ 2. […]

Decr. 18-5-1999

Afdeling IV. – [Ondersteunend en beleids- en ondersteunend personeel

Onderafdeling A. – Secundair onderwijs

Art. 36bis.

Deze onderafdeling geldt voor het [[gewoon en buitengewoon secundair onderwijs, met uitzondering van de internaten]]¹.

Art. 36ter.

Voor de toepassing van hoofdstuk III houdt de inrichtende macht rekening met titel XI – Ondersteunend personeel van het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs voor aanstellingen in betrekkingen van opvoeder en administratief medewerker.

Art. 36quater.

Voor de toepassing van hoofdstuk III worden de diensten gepresteerd in ambten van de categorie van het opvoedend hulppersoneel en/of het administratief personeel beschouwd als zijnde gepresteerd in een ambt van het ondersteunend personeel.

Onderafdeling B. – Basisonderwijs

Art. 36quinquies.

§ 1. [[De personeelscategorie beleids- en ondersteunend personeel bestaat uit de wervingsambten die door de Vlaamse Regering worden vastgelegd.]]¹

§ 2. De ambten bedoeld in § 1 kunnen via voltijdse of deeltijdse betrekkingen worden ingevuld.

§ 3. [[…]]²

§ 4. [[§ 4. In volgende betrekkingen van de ambten van het beleids- en ondersteunend personeel zijn geen vaste benoeming, mutatie of affectatie mogelijk :

1° de betrekkingen die worden opgericht op basis van de puntenenveloppe voor de scholengemeenschap, vermeld in artikel 125duodecies van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs;

2° de betrekkingen die worden opgericht op basis van de punten die worden overgedragen, als vermeld in artikel 153sexies, § 4, van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs;

3° de betrekkingen die worden opgericht op basis van de puntenenveloppe zorg+ ter bevordering van de kleuterparticipatie, vermeld in artikel 125duodecies 1, van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs.]]²

Art. 36sexies.

De Vlaamse regering bepaalt de administratieve en geldelijke toestand van de personeelsleden van het beleids- en ondersteunend personeel.

In afwachting dat de Vlaamse regering nieuwe uitvoeringsbesluiten vastlegt voor de personeelsleden van het beleids- en ondersteunend personeel van het basisonderwijs, geldt voor :

1° de administratieve medewerker de bepalingen die van toepassing zijn voor de administratieve medewerker in het secundair onderwijs met betrekking tot :

– de prestatieregeling;

– de jaarlijkse vakantieregeling;

– de verlofregeling;

– de bezoldiging.

2° de [[ICT-coördinator en de zorgcoördinator]]² de bepalingen die van toepassing zijn voor het onderwijzend personeel met betrekking tot :

– de jaarlijkse vakantieregeling;

– de verlofregeling.]

Decr. 10-7-2003; [[ ]]¹ Decr. 7-7-2006. [[ ]]² Decr. 22-6-2007

[Afdeling 5. – Scholengemeenschappen in het basisonderwijs

Art. 36octies.

§ 1. Zonder afbreuk te doen aan de principes dat een personeelslid wordt geaffecteerd aan een instelling, kunnen :

1° de leden van het bestuurspersoneel van de scholen die de scholengemeenschap vormen, voor de vervulling van opdrachten voor de totaliteit van de scholengemeenschap worden ingezet;

2° de leden van het beleids- en ondersteunend personeel van de scholen die de scholengemeenschap vormen, voor de vervulling van opdrachten voor en in andere scholen van de scholengemeenschap of voor de totaliteit van de scholengemeenschap worden ingezet;

3° de leden van het onderwijzend personeel van de scholen die de scholengemeenschap vormen, voor de vervulling van opdrachten voor andere scholen van de scholengemeenschap worden ingezet.

§ 2. De leden van het beleids- en ondersteunend personeel kunnen overeenkomstig § 1, 2°, worden ingezet in de scholen van dezelfde scholengemeenschap, met dien verstande dat :

– deze personeelsleden geaffecteerd worden aan de instelling waar de betrekking reglementair wordt ingericht;

– de afstand over de openbare weg tussen de instelling van affectatie en de school waar het personeelslid wordt ingezet nooit meer dan 25 km mag bedragen. Dit geldt niet als het personeelslid instemt om over een grotere afstand ingezet te worden.

§ 3. Onverminderd de bepalingen van artikel 20, worden in de overeenkomst of het besluit waarin de aanstelling wordt vastgelegd, de bepalingen inzake inzetbaarheid opgenomen zoals bedoeld in § 1 en § 2.]

Decr. 10-7-2003

HOOFDSTUK IV. – Selectie en bevordering

[Art. 36decies.

[[Dit hoofdstuk is niet van toepassing op het bevorderingsambt van directeur zoals bedoeld in hoofdstuk IVter, noch op het mandaat van algemeen directeur bedoeld in hoofdstuk IVquater, noch op het mandaat van coördinerend directeur bedoeld in hoofdstuk IVquinquies.]] ]

Decr. 14-7-1998; [[ ]] Decr. 13-7-2001

Art. 37.

De artikelen 38, 39, 40 en 42 van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op het administratief personeel van de instellingen en centra. De artikelen 39 en 40, § 2, zijn niet van toepassing op het technisch personeel van de centra.

[Art. 37bis.

§ 1. Een volledige betrekking in een selectie- of bevorderingsambt wordt steeds toegekend hetzij aan één personeelslid, hetzij aan twee personeelsleden die elk met een halftijdse betrekking worden belast.

§ 2. In afwijking van § 1 kan in het onderwijs voor sociale promotie en in het deeltijds kunstonderwijs een betrekking in een selectieambt worden toegekend aan één of meerdere personeelsleden en een betrekking in een bevorderingsambt aan één of twee personeelsleden.]

Decr. 14-2-2003

Art. 38.

Een inrichtende macht kan een vacante betrekking in een selectie- of bevorderingsambt door benoeming slechts toewijzen :

1° indien zij, overeenkomstig de ter zake geldende bepalingen, de betrekking niet ingevolge de toepassing van de bepalingen inzake reaffectatie of wedertewerkstelling moet toewijzen aan een wegens ontstentenis van betrekking ter beschikking gesteld personeelslid;

2° indien de betrekking niet reeds door mutatie [of affectatie] is toegewezen.

Decr. 21-12-1994

Art. 39.

Een betrekking die, hetzij deel uitmaakt van een instelling, afdeling, vestigingsplaats, graad, cyclus of andere onderverdeling die ingevolge de toepassing van rationalisatieregelen in progressieve opheffing is, hetzij slechts voor een beperkte duur kan worden gesubsidieerd, komt niet in aanmerking voor een vacantverklaring of een benoeming in vast verband. Dit artikel is niet van toepassing op het administratief en technisch personeel van de centra.

Art. 40.

[Het personeelslid moet om vast benoemd te worden in een selectie- of bevorderingsambt, op het ogenblik van de vaste benoeming voldoen aan de volgende voorwaarden :

1° houder zijn van het vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs vastgesteld voor dit specifieke selectie- of bevorderingsambt, organiek of bij overgangsmaatregel;

2° [[als laatste evaluatie geen evaluatie met de eindconclusie “onvoldoende” hebben verkregen in het desbetreffende selectie- of bevorderingsambt bij de inrichtende macht waar de vacante betrekking zich situeert. Als het personeelslid de evaluatie met eindconclusie “onvoldoende” kreeg in een instelling van de inrichtende macht die behoort tot een scholengemeenschap, dan geldt deze bepaling voor alle instellingen van deze inrichtende macht die behoren tot deze scholengemeenschap. Als het personeelslid de evaluatie met eindconclusie “onvoldoende” kreeg in een instelling van de inrichtende macht die niet behoort tot een scholengemeenschap, dan geldt deze bepaling voor alle instellingen van deze inrichtende macht die niet behoren tot een scholengemeenschap. Als het personeelslid niet werd geëvalueerd, wordt aan deze voorwaarde geacht voldaan te zijn;]]

3° voldoen aan de algemene wervingsvoorwaarden van artikel 19.]

Decr. 13-7-2001; [[ ]] Decr. 13-7-2007

[Art. 40bis.

[[…]] ]

Decr.14-7-1998; [[ ]] Decr. 13-7-2001

Art. 41.

[§ 1. ] Benoeming in een selectie- of bevorderingsambt kan enkel geschieden indien de betrekking wordt uitgeoefend als hoofdambt.

[§ 2. De Vlaamse regering bepaalt de regels volgens welke [[de vaste benoeming, de nieuwe affectatie en de mutatie in een selectie- of bevorderingsambt worden meegedeeld]] aan het departement onderwijs [[opdat zij zouden]] uitwerking hebben ten aanzien van de overheid.]

Decr. 21-12-1994; [[ ]] Decr. 7-7-2006

Art. 42.

§ 1. Een selectie- of bevorderingsambt kan tijdelijk worden toegewezen :

a) indien de titularis van het ambt tijdelijk afwezig is;

b) in een betrekking waarin op grond van artikel 39 geen benoeming mogelijk is;

c) in afwachting van een vaste benoeming in het selectie- of bevorderingsambt.

In afwachting van de vaste benoeming blijft het personeelslid in voorkomend geval titularis van het ambt waarin het vast benoemd is.

Wanneer het personeelslid tijdelijk in een selectie- of bevorderingsambt wordt aangesteld in afwachting van een vaste benoeming, neemt de inrichtende macht uiterlijk op het einde van het tweede volledige schooljaar, een beslissing houdende hetzij vaste benoeming van het personeelslid in het selectie- of bevorderingsambt, indien het op dat ogenblik aan alle voorwaarden van artikel 40 […]² voldoet, hetzij de terugkeer van het personeelslid naar zijn vorig ambt. [Indien de inrichtende macht geen beslissing neemt vóór het einde van die periode wordt het personeelslid dat aan alle voorwaarden van artikel 40 voldoet, geacht van ambtswege vast benoemd te zijn in het selectie- of bevorderingsambt, tenzij het voordien schriftelijk te kennen geeft deze benoeming niet te wensen.]¹

De termijn van twee volledige schooljaren kan worden verlengd wanneer het gaat om :

1° de bevorderingsambten in éénklassige kleuter-, lagere en bassisscholen, voor zover personeelsleden van de inrichtende macht die aan de benoemingsvoorwaarden voldoen, hiervoor niet hebben gekandideerd;

2° de bevorderingsambten van beheerder-internaat, voor zover de titularis van dit ambt niet aan de voorwaarden voor benoeming voldoet;

3° […]².

[ ]¹ Decr. 21-12-1994; [ ]² Decr. 13-7-2001

§ 2. [Het personeelslid dat tijdelijk wordt aangesteld in een selectie- of bevorderingsambt moet voldoen aan de voorwaarden bepaald in artikel 40.

In afwijking van artikel 40, 1°, kan een personeelslid met een ander bekwaamheidsbewijs worden aangesteld wanneer er geen kandidaten zijn die aan de gestelde voorwaarden voldoen.

Deze aanstelling is beperkt tot de duur van het lopende schooljaar.]

Decr. 13-7-2001

§ 3. Tijdelijke aanstelling in een selectie- of bevorderingsambt is slechts mogelijk na voorafgaande toepassing van de bepaling van artikel 38, 1° .

§ 4. [Een tijdelijke aanstelling in een selectie- of bevorderingsambt eindigt voor het geheel of een deel van de opdracht volgens het bepaalde van artikel 21, § 1, a, b, c, d en g.

Het personeelslid of de inrichtende macht kan om een andere reden dan deze bedoeld in het eerste lid de tijdelijke aanstelling beëindigen gedurende de eerste zes maanden met een opzeggingstermijn van 15 kalenderdagen. Beide partijen kunnen instemmen met een kortere opzeggingstermijn. Die instemming wordt schriftelijk meegedeeld. Na het verstrijken van deze periode kan de tijdelijke aanstelling enkel op het einde van het schooljaar worden beëindigd.]

Decr. 13-7-2007

§ 5. Onverminderd de bepalingen inzake reaffectatie en wedertewerkstelling, kan in het gesubsidieerd vrij onderwijs, krachtens een algemeen verbindend verklaarde beslissing van het bevoegde paritair comité en voor de inrichtende machten die in deze beslissing worden vermeld, een personeelslid […] in afwijking op de verplichting tot benoeming in een selectie- en bevorderingsambt na het verstrijken van het tweede schooljaar zoals bedoeld in artikel 42, § 1, c voor onbeperkte duur tijdelijk worden aangesteld in een selectie- of bevorderingsambt.

Decr. 13-7-2001

Art. 43.

Elke aanstelling in een selectie- of bevorderingsambt wordt schriftelijk vastgesteld op de wijze en met de vermeldingen als bepaald in artikel 20.

[Art. 43bis.

Bij uitbreiding van een kleuterschool tot een basisschool heeft de directeur van de betrokken kleuterschool voorrang voor een benoeming in het ambt van directeur van de basisschool.

De inrichtende macht kan dit personeelslid gedurende één jaar tijdelijk aanstellen in het ambt van directeur van de basisschool.

Indien zij na één jaar dit personeelslid niet vast benoemd heeft in het ambt van directeur van de basischool, moet zij haar beslissing met redenen omkleden.]

Decr. 9-4-1992

[Art. 43ter.

[[Een personeelslid dat vast benoemd is in een selectie- of bevorderingsambt én voorheen vast benoemd was in een ander ambt in het onderwijs, kan vrijwillig afzien van de vaste benoeming in het betrokken ambt.

Het personeelslid deelt dit door middel van een aangetekende brief vóór 1 juni mee aan de inrichtende macht. Het wordt dan op 1 september eropvolgend ter beschikking gesteld wegens ontstentenis van betrekking in het ambt waarin het voorheen vast benoemd was.

De datum van 1 juni kan vervangen worden door een latere datum, ofwel in onderling akkoord tussen het betrokken personeelslid en zijn inrichtende macht, ofwel eenzijdig door het betrokken personeelslid omwille van een evaluatie “onvoldoende” die hem in toepassing van hoofdstuk Vter werd toegekend na 15 mei.]] ]

Decr. 21-12-1994; [[ ]] Decr. 13-7-2007

[Art. 43quater.

Bij de omvorming van een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs, verbonden aan een instelling voor voltijds gewoon secundair onderwijs waar technisch of beroepssecundair onderwijs wordt georganiseerd, tot een autonoom centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs, heeft de coördinator van het centrum in kwestie voorrang voor een vaste benoeming in het ambt van directeur van het autonome centrum.

De inrichtende macht kan dat personeelslid vast benoemen in het ambt van directeur van het autonome centrum, mits hij voldoet aan de bepalingen van artikel 40.]

Decr. 22-6-2007

Art. 44.

[§ 1. In afwijking van dit hoofdstuk en zonder dat het zich kandidaat moet stellen, kan de inrichtende macht een lid van het ondersteunend personeel in het voltijds gewoon secundair onderwijs of het buitengewoon secundair onderwijs of van het opvoedend hulppersoneel in het deeltijds kunstonderwijs dat vast benoemd is in deze categorie, de hogere salarisschaal 106 toekennen.

Als de instelling minder dan 400 leerlingen telt, kan de inrichtende macht die hogere salarisschaal toekennen aan één voltijdse betrekking van het ondersteunend personeel in het voltijds gewoon secundair onderwijs of het buitengewoon secundair onderwijs of van het opvoedend hulppersoneel in het deeltijds kunstonderwijs.

Als de instelling 400 tot 900 leerlingen telt, kan de inrichtende macht die hogere salarisschaal toekennen aan twee voltijdse betrekkingen van het ondersteunend personeel in het voltijds gewoon secundair onderwijs of het buitengewoon secundair onderwijs of van het opvoedend hulppersoneel in het deeltijds kunstonderwijs.

Als de instelling meer dan 900 leerlingen telt, kan de inrichtende macht die hogere salarisschaal toekennen aan drie voltijdse betrekkingen van het ondersteunend personeel in het voltijds gewoon secundair onderwijs of het buitengewoon secundair onderwijs of van het opvoedend hulppersoneel in het deeltijds kunstonderwijs.

§ 2. In afwijking van de bepalingen van dit hoofdstuk en in afwijking van § 1, kan de inrichtende macht een personeelslid dat in het voltijds gewoon secundair onderwijs of het buitengewoon secundair onderwijs vast benoemd is in een ambt van het ondersteunend personeel en dat met toepassing van dit decreet werd geconcordeerd, vast benoemen in hetzelfde ambt met een hogere salarisschaal.

Bij die vaste benoeming moet steeds rekening worden gehouden met het diplomaniveau van het personeelslid.

Het personeelslid hoeft zich geen kandidaat te stellen voor deze vaste benoeming.

De vaste benoeming in hetzelfde ambt met een hogere salarisschaal, heeft tot gevolg dat de betrekking de puntenwaarde krijgt die verbonden is aan die hogere salarisschaal, vermeld in artikel 97 van het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs.

De vaste benoeming in hetzelfde ambt met een hogere salarisschaal kan alleen plaatsvinden als de verplichtingen inzake reaffectatie en wedertewerkstelling zijn nageleefd.

§ 3. Een personeelslid komt alleen in aanmerking voor de bevordering bepaald in § 1 en § 2, als hij voor zijn opdracht in een ambt van de personeelscategorieën bedoeld in § 1 of § 2 als laatste evaluatie geen evaluatie met eindconclusie “onvoldoende” heeft gekregen.

Als het personeelslid niet werd geëvalueerd, wordt die voorwaarde geacht voldaan te zijn.]

Decr. 22-6-2007

[HOOFDSTUK IVbis. – Vastbenoemde personeelsleden tijdelijk belast met een andere opdracht in een wervings-, selectie- of bevorderingsambt

Art. 44bis.

§ 1. Na toepassing van en onverminderd de bepalingen van hoofdstuk III. – Werving en de bepalingen van hoofdstuk IV. – Selectie en bevordering kan een opdracht in een wervings-, selectie- of bevorderingsambt tijdelijk worden toegewezen aan een vastbenoemd personeelslid van het gesubsidieerd onderwijs, van de gesubsidieerde centra, van het gemeenschapsonderwijs, van de inspectie, van de pedagogische begeleidingsdiensten of van de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken, met uitzondering van de gesubsidieerde hogescholen bedoeld in het decreet van 13 juli 1994.

§ 2. Het vastbenoemde personeelslid kan, met zijn instemming, geheel of gedeeltelijk afzien van de uitoefening van de opdracht waarvoor het vast benoemd is om in een wervings-, selectie- of bevorderingsambt tijdelijk belast te worden met een andere opdracht waarvoor het niet vast benoemd is.

§ 3. Het vastbenoemde personeelslid wordt met de andere opdracht belast overeenkomstig de bepalingen van dit decreet die de tijdelijke aanstelling regelen, met uitzondering van de bepalingen inzake de voorrang wat de wervingsambten betreft.

§ 4. Tijdens de periode gedurende welke het personeelslid tijdelijk belast wordt met een andere opdracht en voor de beëindiging ervan gelden de regels die voor de tijdelijke personeelsleden van toepassing zijn op het ambt waarin het personeelslid tijdelijk fungeert.

§ 5. [[In afwijking van § 4 wordt het vastbenoemde personeelslid tijdens de periode van tijdelijke aanstelling verder beschouwd als vast benoemd personeelslid voor de toepassing van de reglementaire bepalingen inzake :

1° het bevallingsverlof;

2° het verlof wegens een bedreiging door een beroepsziekte en het verlof wegens moederschapsbescherming;

3° het verlof wegens ziekte of gebrekkigheid, met inbegrip van arbeidsongevallen, van ongevallen op de weg van en naar het werk en van beroepsziekten;

4° de anciënniteit voor het bepalen van het recht op verlof wegens ziekte of gebrekkigheid;

5° de toekenning van een vergoeding wegens begrafeniskosten.

Het eerste lid van deze paragraaf geldt eveneens voor het vastbenoemde personeelslid dat overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk III – Werving van deze titel als tijdelijk personeelslid wordt aangesteld.]]²

[[§ 6. [[[In dit artikel wordt met tijdelijke aanstelling bedoeld, de tijdelijke aanstelling van bepaalde duur.]]] ]]¹

Art. 44ter.

De Vlaamse regering bepaalt de nadere regeling van de administratieve en geldelijke toestand van de vastbenoemde personeelsleden die tijdelijk belast worden met een andere opdracht in een wervings-, selectie- of bevorderingsambt waarvoor ze niet vastbenoemd zijn.]

Decr. 15-7-1997; [[ ]]¹ Decr. 18-5-1999; [[ ]]² Decr. 15-7-2005; [[[ ]]] Decr. 14-2-2003

[HOOFDSTUK IVter. – Mandaat

Art. 44quater.

[[…]]¹

Art. 44quinquies.

[[§ 1. [[[Elke nieuwe aanstelling in het bevorderingsambt van directeur wordt bij mandaat toegewezen. Deze toewijzing gebeurt :

1. voor de CLB’s [[[[…]]]] : vanaf 1 september 2000;

2. voor het gewoon en buitengewoon basis- en secundair onderwijs, het onderwijs voor sociale promotie en het deeltijds kunstonderwijs : vanaf een datum die de Vlaamse regering bepaalt.]]]

§ 2. Elke aanstelling bij mandaat in een ambt van directeur wordt schriftelijk vastgesteld op de wijze en met de vermeldingen bepaald in artikel 20.

§ 3. Onverminderd artikel 44duodecies komen de personeelsleden die [[[op een datum die de Vlaamse regering bepaalt]]] tijdelijk aangesteld zijn in een vacante of niet-vacante betrekking van directeur en tot op het ogenblik van de vaste benoeming tijdelijk aangesteld blijven in dezelfde betrekking, nog in aanmerking voor een vaste benoeming in dit ambt.]]¹

Art. 44sexies.

Om in een mandaat van directeur aangesteld te kunnen worden, moet het personeelslid bij de aanvang van dat mandaat voldoen aan de volgende voorwaarden :

1° houder zijn van het vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepaling of overgangsmaatregel;

2° de betrekking uitoefenen in hoofdambt;

3° als laatste evaluatie geen evaluatie met de eindconclusie “onvoldoende” verkregen hebben. Indien het personeelslid niet werd geëvalueerd, wordt deze voorwaarde geacht voldaan te zijn;

4° voldoen aan de algemene wervingsvoorwaarden bedoeld in artikel 19.

Art. 44septies.

De bepalingen inzake reaffectatie en wedertewerkstelling zijn niet van toepassing op de betrekkingen die toegewezen werden bij mandaat.

Art. 44octies.

Prestaties geleverd tijdens een mandaat worden in aanmerking genomen voor de administratieve en geldelijke anciënniteit van het personeelslid.

Art. 44novies.

Als een personeelslid zonder vaste benoeming in het onderwijs aangesteld wordt bij mandaat, wordt dit zowel voor de administratieve als geldelijke toestand beschouwd als een tijdelijke aanstelling.

Art. 44decies.

§ 1. Het mandaat heeft een onbepaalde duur.

§ 2. De inrichtende macht kan een einde stellen aan een mandaat :

1° met een gemotiveerde opzeg van 3 maanden;

2° om dringende redenen volgens de procedure bedoeld in artikel 25.

§ 3. De inrichtende macht moet een einde stellen aan een mandaat :

1° na een definitieve evaluatie met eindconclusie “onvoldoende”;

2° door toepassing van artikel 21, § 1, a, d, g en h, en artikel 60, 1° tot 8°.

§ 4. Een personeelslid dat belast is met een mandaat van directeur kan op 1 september vrijwillig afzien van het mandaat. Hij deelt dit per aangetekende brief mee aan de inrichtende macht, vóór 1 april van hetzelfde jaar.

In onderling overleg kan van beide data worden afgeweken.

Art. 44undecies.

§ 1. Bij de beëindiging van een mandaat van directeur neemt het vastbenoemd personeelslid een betrekking op bij de inrichtende macht en in de instelling van affectatie volgens zijn vaste benoeming voorafgaand aan het mandaat, tenzij het personeelslid en de inrichtende macht akkoord gaan met een mutatie of een nieuwe affectatie voor wat het gesubsidieerd vrij onderwijs betreft.

§ 2. Bij de beëindiging van een mandaat van directeur ingevolge een evaluatie “onvoldoende” neemt het personeelslid een betrekking op bij de inrichtende macht en in de instelling van affectatie volgens zijn vaste benoeming voorafgaand aan het mandaat. Dit personeelslid kan binnen “hetzelfde ambt” geen beroep doen op zijn anciënniteit voor een betrekking. [[Het betrokken personeelslid wordt voor de duur van het lopende schooljaar ter beschikking gesteld wegens ontstentenis van betrekking.]]¹

Art. 44duodecies.

Het personeelslid belast met een mandaat van directeur in een vacante betrekking, wordt op zijn verzoek op de leeftijd van 55 jaar vast benoemd in deze betrekking, op voorwaarde dat hij :

1° de voorwaarden vervult voor vaste benoeming;

2° mandaathouder is van de betrekking waarin hij wordt benoemd;

3° de vaste benoeming bij de inrichtende macht raad aanvraagt.

Die vaste benoeming heeft steeds 1 januari als ingangsdatum.

Art. 44terdecies.

[[…]]² ]

Decr. 14-7-1998; [[ ]]¹ Decr. 18-5-1999; [[ ]]² Decr. 20-10-2000; [[[ ]]] Decr. 20-10-2000; [[[[ ]]]] Decr. 13-7-2001

[HOOFDSTUK IVquater. – Mandaat van algemeen directeur

Art. 44quaterdecies.

§ 1. [[De inrichtende macht kan een directeur van een instelling belasten met de taak van algemeen directeur voor de totaliteit van haar instellingen.]]¹

[[Het personeelslid mag als laatste evaluatie geen evaluatie met eindconclusie “onvoldoende” hebben verkregen.

Bij afwezigheid van het personeelslid dat met toepassing van het eerste lid initieel belast is met het mandaat van algemeen directeur, kan de inrichtende macht een ander personeelslid voor de duur van die afwezigheid belasten met het mandaat. Dat personeelslid oefent tot de dag waarop het afwezige personeelslid opnieuw effectief zijn mandaat opneemt, de bevoegdheden van algemeen directeur uit.]]²

§ 2. Deze algemeen directeur kan aanspraak maken [[op een niet-verworven salarisschaal]]² indien de instellingen van de inrichtende macht ten minste 2000 regelmatig ingeschreven leerlingen tellen op 1 februari van het voorafgaande [[schooljaar]]¹. De Vlaamse regering bepaalt [[de niet-verworven salarisschaal]]² en de modaliteiten voor de toekenning.

[[§ 3. In afwijking van het bepaalde in artikel 71 van het decreet van 15 juli 1997 betreffende het onderwijs-VIII, wordt de overname van een onderwijsinstelling voor de gelding van dit artikel geacht reeds op 1 februari van het voorafgaand schooljaar te hebben plaatsgevonden.]]¹ ]

Decr. 18-5-1999; [[ ]]¹ Decr. 13-7-2001; [[ ]]² Decr. 22-6-2007

[HOOFDSTUK IVquinquies – Mandaat van coördinerend directeur

Art. 44quinquiesdecies.

§ 1. [[In een scholengemeenschap van het secundair onderwijs kan een personeelslid voltijds of kunnen twee personeelsleden elk halftijds bij mandaat worden aangesteld tot coördinerend directeur van die scholengemeenschap als het personeelslid belast is met taken voor de totaliteit van de instellingen die deel uitmaken van de scholengemeenschap.

Het personeelslid moet tijdelijk aangesteld zijn of vast benoemd zijn als directeur aan een instelling van de scholengemeenschap.]]² [[Het personeelslid mag als laatste evaluatie geen evaluatie met eindconclusie “onvoldoende” hebben verkregen.]]³

[[Bij afwezigheid van het personeelslid dat met toepassing van het eerste lid initieel belast is met het mandaat van coördinerend directeur, kan de inrichtende macht een ander personeelslid voor de duur van die afwezigheid belasten met het mandaat. Dat personeelslid oefent tot de dag waarop het afwezige personeelslid opnieuw effectief zijn mandaat opneemt, de bevoegdheden van coördinerend directeur uit.]]³

§ 2. De directeur die belast wordt met het mandaat van coördinerend directeur kan aanspraak maken [[op een niet-verworven salarisschaal]]³, indien de instellingen die behoren tot de scholengemeenschap ten minste 2000 regelmatig ingeschreven leerlingen telt op 1 februari van het voorafgaande [[schooljaar]]¹.

De Vlaamse regering bepaalt [[de niet-verworven salarisschaal]]³ en de modaliteiten voor de toekenning.

[[In afwijking van het bepaalde in artikel 71 van het decreet van 15 juli 1997 betreffende het onderwijs-VIII, wordt de overname van een onderwijsinstelling voor de gelding van dit artikel geacht reeds op 1 februari van het voorafgaand schooljaar te hebben plaatsgevonden.]]¹ ]

Decr. 18-5-1999; [[ ]]¹ Decr. 13-7-2001; [[ ]]² Decr. 15-7-2005; [[ ]]³ Decr. 22-6-2007

HOOFDSTUK V. – [Mutatie en affectatie]

Decr. 21-12-1994

Art. 45.

[§ 1. De mutatie bestaat in het toewijzen bij een andere inrichtende macht van een andere betrekking van het ambt waarin het personeelslid vast benoemd is. Een mutatie geschiedt niet dan op verzoek van het personeelslid.

§ 2. De nieuwe affectatie bestaat in het toewijzen van een personeelslid aan een instelling of centrum ingericht door dezelfde inrichtende macht in een betrekking van het ambt waarin het personeelslid vast benoemd is. In de instellingen en centra van het gesubsidieerd vrij onderwijs geschiedt de nieuwe affectatie niet dan met akkoord van het personeelslid.]¹ [Dit akkoord is niet vereist wanneer de nieuwe affectatie geschiedt binnen een pedagogische entiteit die bestaat uit enerzijds één instelling met een eerste graad en anderzijds één instelling met een tweede, een derde en eventueel een vierde graad van hetsecundair onderwijs, die behoort tot dezelfde inrichtende macht en die in hetzelfde gebouwencomplex is gelegen. De criteria en modaliteiten van deze affectatie worden onderhandeld in het bevoegde onderhandelingscomité.]²

[ ]¹ Decr. 21-12-1994; [ ]² Decr. 18-5-1999

Art. 46.

§ 1. Een […]¹ betrekking kan aan het personeelslid […]³ bij mutatie [of [[nieuwe]] affectatie]² worden toegewezen voor zover de betrekking, overeenkomstig de ter zake geldende bepalingen, niet ingevolge de bepalingen inzake reaffectatie of wedertewerkstelling moet worden toegewezen aan een wegens ontstentenis van betrekking ter beschikking gesteld personeelslid.

[ ]¹ Decr. 9-4-1992; [ ]² Decr. 21-12-1994;[ ]³ Decr. 18-5-1999; [[ ]] Decr. 18-5-1999

Niemand kan in een betrekking gemuteerd worden [of een nieuwe affectatie verkrijgen] indien hij in de gesubsidieerde instellingen of centra niet vast benoemd is in een betrekking van hetzelfde ambt.

Decr. 21-12-1994

De inrichtende macht is verplicht het personeelslid op het ogenblik zelf van de mutatie in vast verband te benoemen en te affecteren.

Het personeelslid moet bij de inrichtende macht die het verlaat, ontslag nemen voor de opdracht waarvoor het mutatie heeft aangevraagd. De overgang van de ene naar de andere inrichtende macht moet zonder onderbreking gebeuren.

§ 2. Mutatie overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk naar onderwijsinstellingen van het gesubsidieerd onderwijs of naar gesubsidieerde centra is eveneens mogelijk voor personeelsleden van onderwijsinstellingen en van centra van het Gemeenschapsonderwijs. [De diensten die vóór deze mutatie gepresteerd werden in hetzelfde ambt worden gelijkgesteld met diensten gepresteerd in het gesubsidieerd onderwijs.]

Decr. 18-5-1999

[Art. 46bis.

[[…]] ]

Decr. 18-5-1999; [[ ]] Decr. 14-2-2003

[Art. 46ter.

De mutaties en nieuwe affectaties van personeelsleden die in de periode van 1 februari 1996 tot en met 1 januari 1998 plaatsvinden in een ambt in het gewoon secundair onderwijs, het buitengewoon secundair onderwijs, het onderwijs voor sociale promotie, het deeltijds kunstonderwijs, de psycho-medisch-sociale centra, de psycho-medisch-sociale centra voor het buitengewoon onderwijs en de psycho-medisch-sociale vormingscentra, zijn niet onderworpen aan de bepalingen van Titel III van het decreet van 16 april 1996 houdende tijdelijke beperking inzake programmatie en benoeming in sommige onderwijssectoren.]

Decr. 13-7-2001

Art. 47.

Mutatie [of een nieuwe affectatie] is niet mogelijk naar een betrekking die deel uitmaakt van een instelling, afdeling, vestigingsplaats, graad, cyclus of andere onderverdeling die ingevolge de toepassing van rationalisatieregelen in progressieve opheffing is of slechts voor een beperkte duur kan worden gesubsidieerd.

Decr. 21-12-1994

[HOOFDSTUK Vbis. – Functiebeschrijving

Art. 47bis.

§ 1. Dit hoofdstuk geldt voor de instellingen en centra bedoeld in dit decreet.

§ 2. Voor de bepalingen van dit hoofdstuk wordt onder “instelling” desgevallend ook de pedagogische entiteit zoals bedoeld in artikel 45, § 2, verstaan.

Art. 47ter.

§ 1. Voor de personeelsleden tewerkgesteld in de instellingen en de centra vermeld in artikel 47bis worden, in het kader van hun begeleiding, geïndividualiseerde functiebeschrijvingen opgesteld.

Een functiebeschrijving moet gezien worden als een constructief en positief beleidsinstrument dat het mogelijk maakt een autonoom personeelsbeleid te voeren gericht op het verstrekken van kwaliteitsvol onderwijs.

§ 2. Een functiebeschrijving is verplicht voor elk personeelslid dat aangesteld is voor meer dan 104 dagen. Ze kan ook opgesteld worden voor personeelsleden die voor een kortere duur aangesteld zijn.

§ 3. De inrichtende macht of de scholengemeenschap, indien de instelling tot een scholengemeenschap behoort, onderhandelt de algemene afspraken inzake functiebeschrijvingen in het lokaal comité, met dien verstande dat rekening moet worden gehouden met de principes vermeld in dit hoofdstuk.

§ 4. De inrichtende macht duidt voor ieder personeelslid twee evaluatoren aan en houdt daarbij rekening met volgende principes :

1° voor personeelsleden tewerkgesteld in wervingsambten moet één van beide evaluatoren steeds een directeur of adjunct-directeur zijn. Wordt het wervingsambt evenwel uitgeoefend in een internaat, dan moet één van beide evaluatoren steeds de beheerder van dat internaat zijn;

2° voor de eerste evaluator gelden volgende bepalingen :

– de eerste evaluator moet een personeelslid zijn van de inrichtende macht waarbij het betrokken personeelslid is tewerkgesteld. Deze bepaling is evenwel niet van toepassing voor personeelsleden die tewerkgesteld zijn ter ondersteuning van of op het niveau van de scholengemeenschap. In dat geval kan de eerste evaluator wel een personeelslid zijn van een andere inrichtende macht van de scholengemeenschap;

– voor een personeelslid dat aangesteld is in eenwervingsambt, moet de eerste evaluator aangesteld zijn in een selectie- of bevorderingsambt. Voor een personeelslid dat aangesteld is in een selectieambt, moet de eerste evaluator aangesteld zijn in een bevorderingsambt. Voor een personeelslid dat aangesteld is in een bevorderingsambt, is de eerste evaluator de directeur;

– de eerste evaluator heeft als voornaamste taak het personeelslid te coachen in diens functioneren. Het houden van functioneringsgesprekken is een onderdeel van deze taak;

3° voor de tweede evaluator gelden volgende bepalingen :

– is de eerste evaluator een personeelslid dat aangesteld is in een selectieambt, c.q. een bevorderingsambt, dan is de tweede evaluator dat minstens ook, of is hij een lid van de inrichtende macht;

– de rol van de tweede evaluator wordt bepaald binnen de algemene afspraken bedoeld in § 3en in artikel 47novies , maar deze afspraken mogen geen afbreuk doen aan de rol en de taken van de eerste evaluator zoals vastgelegd in dit artikel en in artikel 47decies. Deze afspraken moeten minstens inhouden dat het personeelslid en de eerste evaluator op hun verzoek tijdens de in hoofdstuk Vbis en Vter bedoelde procedure steeds een beroep kunnen doen op de tweede evaluator.

§ 5. In afwijking van § 4 worden de beheerder van een internaat en de directeur geëvalueerd door de inrichtende macht. De inrichtende macht heeft als voornaamste taak het personeelslid te coachen in diens functioneren. Het houden van functioneringsgesprekken is een onderdeel van deze taak.

§ 6. In afwijking van § 4 kan de inrichtende macht voor de evaluatie van de adjunct-directeur kiezen om ofwel zelf de adjunct-directeur te evalueren ofwel de directeur aan te duiden als eerste evaluator en zelf de rol van tweede evaluator op zich te nemen. Indien de inrichtende macht ervoor kiest om de adjunct-directeur zelf te evalueren, dan heeft ze als voornaamste taak het personeelslid te coachen in diens functioneren. Het houden van functioneringsgesprekken is een onderdeel van deze taak.

§ 7. Een opleiding tot evaluator is aangewezen voor wie als evaluator wordt aangesteld.

§ 8. Het personeelslid en de eerste evaluator, of de inrichtende macht voor de beheerder van een internaat, de directeur en desgevallend de adjunct-directeur, leggen per ambt en per instelling waar het personeelslid fungeert, een geïndividualiseerde functiebeschrijving vast. Daarbij houden ze rekening met de algemene afspraken die in uitvoering van § 3 zijn vastgelegd, met de bepalingen van het arbeidsreglement en, in het gesubsidieerd vrij onderwijs, met de bepalingen van de arbeidsovereenkomst.

Personeelslid en eerste evaluator, of de inrichtende macht voor de beheerder van een internaat, de directeur en desgevallend de adjunct-directeur, leggen in de functiebeschrijving de taken en instellingsgebonden opdrachten van het personeelslid vast en de wijze waarop het personeelslid deze taken en opdrachten moet uitvoeren.

In de functiebeschrijving worden ook de instellings-specifieke doelstellingen opgenomen.

De functiebeschrijving bevat eveneens de rechten en plichten inzake permanente vorming en nascholing. Als het personeelslid nascholing wordt opgelegd, komen de kosten ten laste van de inrichtende macht.

Ten slotte kunnen aan de functiebeschrijving, naar aanleiding van een functioneringsgesprek of op basis van de afspraken gemaakt op het einde van de vorige evaluatieperiode, ook persoons- en ontwikkelingsgerichte doelstellingen worden toegevoegd.

§ 9. De functiebeschrijving van de godsdienstleerkracht, de leraar niet-confessionele zedenleer, de leraar secundair onderwijs belast met niet-confessionele zedenleer en de leermeester niet-confessionele zedenleer moet voor de vakinhoudelijke en vaktechnische aspecten ook het akkoord wegdragen van de bevoegde instantie van de betrokken eredienst of de niet-confessionele zedenleer. Dit akkoord blijkt uit de ondertekening van dit deel van de betrokken functiebeschrijving door een afgevaardigde van de bevoegde instantie.

Art. 47quater.

Onverminderd artikel 47ter wordt voor het basisonderwijs bij het opmaken van een functiebeschrijving ook rekening gehouden met de bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juni 1997 houdende de taken die niet in de functiebeschrijvingen van het personeel in het basisonderwijs kunnen opgenomen worden en met de bepalingen van hoofdstuk X, afdeling 2, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997.

Bij het verdelen van de instellingsgebonden opdrachten tussen alle personeelsleden in het kader van de schoolopdracht wordt o.a. rekening gehouden met :

1° de aard van de hoofdopdracht van de personeelsleden in de instelling, het voltijds of deeltijds karakter ervan en de tijd die hieraan besteed wordt;

2° het principe van de billijke verdeling van de taken, inzonderheid met betrekking tot personeelsleden die nog in andere instellingen werkzaam zijn;

3° de mogelijkheden en capaciteiten van de personeelsleden;

4° de tijd die personeelsleden besteden aan hun vertegenwoordiging in officiële inspraakorganen.

Art. 47quinquies.

§ 1. Voor de wervingsambten van het bestuurs- en onderwijzend personeel in het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs wordt, voor zover dit ambt een lesopdracht omvat, bij het vastleggen van de functiebeschrijvingen, onverminderd artikel 47ter, rekening gehouden met volgende principes :

1° de hoofdtaak van de leraar is het lesgeven, in de brede zin van het woord. Het gaat om een geïntegreerde lerarenopdracht, die betrekking heeft op alles wat als vanzelfsprekend bij het lerarenberoep hoort, vertrekkend vanuit de brede professionaliteit van de lesgever. Tot deze geïntegreerde lerarenopdracht behoren taken zoals :

– de planning en voorbereiding van lessen;

– het lesgeven zelf;

– de klaseigen leerlingenbegeleiding;

– de evaluatie van de leerlingen;

– de nascholing;

– het overleg en de samenwerking met directie, collega’s, CLB en ouders;

2° naast de hoofdtaak kan van de leraar ook een beperkt aantal instellingsgebonden opdrachten worden gevraagd, zoals :

– het opnemen van verantwoordelijkheden die het les- of klasgebeuren overschrijden;

– het opnemen van een of andere specifieke rol of opdracht; – het vervangen van afwezige leraars en aanvullend toezicht houden;

– vertegenwoordiging in schoolexterne organen.

§ 2. De lijst van de instellingsgebonden opdrachten, bedoeld in § 1, 2°, wordt opgemaakt door de inrichtende macht en onderhandeld in het lokaal comité.

Binnen de lijst van de instellingsgebonden opdrachten wordt bepaald welke eerder beleidsondersteunend zijn en welke dat niet zijn. Tegenover eerder beleidsondersteunende opdrachten moeten in principe ondersteunende omkaderingselementen worden geplaatst. De criteria die zullen worden gebruikt om deze opdrachten al dan niet als eerder beleidsondersteunend te kwalificeren en ze te verdelen onder alle personeelsleden, alsook de criteria voor de verdeling van de omkaderingselementen worden onderhandeld in het lokaal comité.

Bij het verdelen van de instellingsgebonden opdrachten tussen alle personeelsleden houdt de inrichtende macht rekening met o.a. :

1° de aard van de hoofdtaak van de personeelsleden in de instelling, het voltijds of deeltijds karakter ervan en de tijd die hieraan besteed wordt;

2° het principe van de billijke verdeling van de taken, inzonderheid met betrekking tot personeelsleden die nog in andere instellingen werkzaam zijn;

3° de mogelijkheden en capaciteiten van de personeelsleden;

4° de tijd die personeelsleden besteden aan hun vertegenwoordiging in officiële inspraakorganen.

Art. 47sexies.

§ 1. Als de eerste evaluator, of de inrichtende macht voor de beheerder van een internaat, de directeur en desgevallend de adjunct-directeur, en het betrokken personeelslid het niet eens raken over de functiebeschrijving of bepaalde onderdelen ervan, beslist de inrichtende macht of haar gemandateerde. De inrichtende macht of haar gemandateerde hoort vooraf de eerste evaluator en het betrokken personeelslid.

§ 2. De eerste evaluator, of de inrichtende macht voor de beheerder van een internaat, de directeur en desgevallend de adjunct-directeur, ondertekent de functiebeschrijving. Het betrokken personeelslid ondertekent de functiebeschrijving voor kennisname.

§ 3. Een functiebeschrijving kan alleen worden aangepast :

1° ingevolge afspraken die de eerste evaluator, of de inrichtende macht voor de beheerder van een internaat, de directeur en desgevallend de adjunct-directeur, en het personeelslid maken tijdens een functioneringsgesprek;

2° na overleg tussen eerste evaluator, of de inrichtende macht voor de beheerder van een internaat, de directeur en desgevallend de adjunct-directeur, en het personeelslid bij een belangrijke wijziging van de opdracht van het personeelslid;

3° bij aanvang van een nieuwe evaluatieperiode.]

Decr. 13-7-2007

[HOOFDSTUK Vter. – Evaluatie

Art. 47septies.

§ 1. Dit hoofdstuk geldt voor de instellingen en centra bedoeld in dit decreet.

§ 2. Voor de bepalingen van dit hoofdstuk wordt onder “instelling” desgevallend ook de pedagogische entiteit zoals bedoeld in artikel 45, § 2, verstaan.

Afdeling I. – De evaluatie

Art. 47octies.

§ 1. Een evaluatie moet gezien worden als een constructief en positief beleidsinstrument, dat het mogelijk maakt een autonoom personeelsbeleid te voeren gericht op het verstrekken van kwaliteitsvol onderwijs.

§ 2. Ieder personeelslid dat een functiebeschrijving heeft, zoals bedoeld in hoofdstuk Vbis, moet minimaal om de vier schooljaren geëvalueerd worden op basis van die functiebeschrijving. Er kan bij een evaluatie enkel rekening worden gehouden met prestaties geleverd in het lopende schooljaar en de drie voorafgaande schooljaren.

Een personeelslid voor wie geen functiebeschrijving werd opgesteld volgens de bepalingen van hoofdstuk Vbis, kan niet worden geëvalueerd.

§ 3. De evaluatie heeft betrekking op het volledig functioneren van het personeelslid ten opzichte van de geïndividualiseerde functiebeschrijving, met inbegrip van de voor de betrokken evaluatieperiode afgesproken persoons- en ontwikkelingsgerichte doelstellingen.

Art. 47novies.

De inrichtende macht of de scholengemeenschap, indien de instelling tot een scholengemeenschap behoort, onderhandelt de algemene afspraken inzake evaluatie in het lokaal comité, met dien verstande dat rekening moet worden gehouden met de principes vermeld in dit hoofdstuk.

Art. 47decies.

§ 1. Met het oog op de evaluatie, zoals bedoeld in artikel 47octies, wordt er een evaluatiegesprek gehouden tussen de eerste evaluator, of de inrichtende macht voor de beheerder van een internaat, de directeur en desgevallend de adjunct-directeur, en het betrokken personeelslid.

Het evaluatiegesprek heeft als eerste doel het functioneren van het personeelslid te verbeteren daar waar dit nodig is en het te ondersteunen. Het is niet louter op het verleden gericht. Na het gesprek moeten niet enkel de goede en sterke punten, maar ook de eventueel te verbeteren punten van het personeelslid duidelijk zijn. Het evaluatiegesprek kan bijgevolg aanleiding geven tot het bijsturen naar de toekomst toe en het kan leiden tot nieuwe, duidelijke afspraken.

§ 2. Het evaluatiegesprek, vermeld in § 1, leidt steeds tot een evaluatieverslag.

Dit evaluatieverslag, opgesteld door de eerste evaluator of de inrichtende macht voor de beheerder van een internaat, de directeur en desgevallend de adjunct-directeur, beschrijft op zorgvuldige wijze het volledig functioneren van het personeelslid ten opzichte van de functiebeschrijving, met inbegrip van de voor de betrokken evaluatieperiode eventueel afgesproken persoons- en ontwikkelingsgerichte doelstellingen en bevat steeds een eindconclusie.

De eerste evaluator, of de inrichtende macht voor de beheerder van een internaat, de directeur en desgevallend de adjunct-directeur, ondertekent en dateert het evaluatieverslag en legt het voor aan het betrokken personeelslid. Het personeelslid ondertekent en dateert ter kennisneming en bezorgt het onmiddellijk terug aan de eerste evaluator of de inrichtende macht voor de beheerder van een internaat, de directeur en desgevallend de adjunct-directeur. De eerste evaluator bezorgt onmiddellijk een kopie van dit evaluatieverslag aan het personeelslid. De eerste evaluator bezorgt eveneens een kopie van het evaluatieverslag ter kennisneming aan de tweede evaluator en aan de inrichtende macht.

Als het evaluatieverslag de eindconclusie “onvoldoende” bevat, moet het – op straffe van nietigheid – steeds de beroepsmogelijkheden bevatten.

§ 3. De godsdienstleerkracht, de leraar niet-confessionele zedenleer, de leraar secundair onderwijs belast met niet-confessionele zedenleer en de leermeester niet-confessionele zedenleer wordt voor de niet-vakinhoudelijke en niet-vaktechnische aspecten geëvalueerd door de eerste evaluator. Voor de vakinhoudelijke en vaktechnische aspecten levert de bevoegde instantie van de betrokken eredienst of van de niet-confessionele zedenleer een bijdrage tot deze evaluatie.

Afdeling II. – De evaluatie met eindconclusie “onvoldoende”

Art. 47undecies.

§ 1. Een evaluatie, bedoeld in afdeling I, kan leiden tot een evaluatieverslag met eindconclusie “onvoldoende”.

§ 2. Tegen een evaluatie met eindconclusie “onvoldoende” kan het personeelslid beroep aantekenen bij een college van beroep inzake evaluaties. Dit college van beroep garandeert de rechten van verdediging.

Als het personeelslid, binnen de in artikel 47septies decies, § 5, 1°, voorziene termijn, geen beroep aantekent, is de evaluatie met eindconclusie “onvoldoende” definitief na het verstrijken van deze termijn.

Als het personeelslid, binnen de in artikel 47septies decies, § 5, 1°, voorziene termijn, beroep aantekent, is de evaluatie met eindconclusie “onvoldoende” definitief na de uitspraak van het college van beroep voor zover het college van beroep de evaluatie met eindconclusie “onvoldoende” niet vernietigt.

§ 3. Na een evaluatie met eindconclusie “onvoldoende”, en voor zover deze niet leidt tot het ontslag zoals bedoeld in dit hoofdstuk, moet betrokkene een nieuwe evaluatie krijgen. Deze nieuwe evaluatie moet een periode van ten minste twaalf maanden effectieve prestaties omvatten. Deze periode start op het ogenblik dat het evaluatieverslag wordt voorgelegd aan het betrokken personeelslid overeenkomstig artikel 47decies, § 2.

Art. 47duodecies.

Bij de eerder beleidsondersteunende instellingsgebonden opdrachten, waartegenover ondersteunende omkaderingselementen staan, moet het aandeel van de extra omkadering in de opdracht van het betrokken personeelslid, aangesteld in een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel in het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs, voldoende zijn, zo niet kan het personeelslid hiervoor geen evaluatie met eindconclusie “onvoldoende” krijgen.

Art. 47terdecies.

Het personeelslid dat in een wervingsambt vast benoemd is of tijdelijk is aangesteld voor doorlopende duur wordt, met toepassing van artikel 60, 11°, ontslagen door de inrichtende macht als het in éénzelfde instelling of centrum voor dat wervingsambt ofwel twee opeenvolgende definitieve evaluaties met eindconclusie “onvoldoende” ofwel drie definitieve evaluaties met eindconclusie “onvoldoende” in zijn loopbaan heeft gekregen.

Het ontslag geldt voor het ambt in die instelling of dat centrum waarop de evaluaties met eindconclusie “onvoldoende” betrekking hebben.

Art. 47quaterdecies.

Het personeelslid dat in een wervingsambt tijdelijk is aangesteld voor bepaalde duur wordt, met toepassing van artikel 60, 10°, door de inrichtende macht ontslagen als het voor dat wervingsambt één definitieve evaluatie met eindconclusie “onvoldoende” heeft gekregen.

Het ontslag geldt voor het ambt in die instelling of dat centrum waarop de evaluatie met eindconclusie “onvoldoende” betrekking heeft.

Art. 47quinquiesdecies.

§ 1. Het personeelslid dat belast is met een mandaat van algemeen directeur of coördinerend directeur, zoals bedoeld in dit decreet, wordt na één definitieve evaluatie met eindconclusie “onvoldoende” door de inrichtende macht ontheven van zijn mandaat.

§ 2. Het personeelslid dat belast is met een mandaat van directeur in een CLB én dat vast benoemd is in het ambt van directeur, wordt, met toepassing van artikel 60, 11°, ontslagen door de inrichtende macht als het in éénzelfde instelling voor het ambt van directeur ofwel twee opeenvolgende definitieve evaluaties met eindconclusie “onvoldoende” ofwel drie definitieve evaluaties met eindconclusie “onvoldoende” in zijn loopbaan heeft gekregen.

Als de in het vorig lid bedoelde directeur voorheen vast benoemd was in een ander ambt in het onderwijs, dan kan de inrichtende macht deze directeur echter ook na één definitieve evaluatie met eindconclusie “onvoldoende” uit zijn ambt verwijderen. Deze directeur wordt door de betrokken inrichtende macht dan onmiddellijk ter beschikking gesteld wegens ontstentenis van betrekking in het ambt waarin hij voorheen was vast benoemd.

Het personeelslid dat belast is met een mandaat van directeur in een CLB en dat niet vast benoemd is in het ambt van directeur en voorheen ook geen vaste benoeming had in een ander ambt in het onderwijs, wordt, met toepassing van artikel 60, 10°, ontslagen door de inrichtende macht als het voor zijn ambt één definitieve evaluatie met eindconclusie “onvoldoende” heeft gekregen.

Art. 47sexiesdecies.

§ 1. Het personeelslid dat in een selectie- of bevorderingsambt vast benoemd is, wordt, met toepassing van artikel 60, 11°, ontslagen door de inrichtende macht als het in éénzelfde instelling voor dat selectie-of bevorderingsambt ofwel twee opeenvolgende definitieve evaluaties met eindconclusie “onvoldoende” ofwel drie definitieve evaluaties met eindconclusie “onvoldoende” in zijn loopbaan heeft gekregen.

Het ontslag geldt voor het ambt in die instelling of dat centrum waarop de evaluaties met eindconclusie “onvoldoende” betrekking hebben.

§ 2. De inrichtende macht kan een personeelslid dat vast benoemd is in een selectie- of bevorderingsambt en voorheen vast benoemd was in een ambt in het onderwijs, na één definitieve evaluatie met eindconclusie “onvoldoende” voor dat selectie- of bevorderingsambt uit dit ambt verwijderen.

Het betrokken personeelslid wordt door de betrokken inrichtende macht onmiddellijk ter beschikking gesteld wegens ontstentenis van betrekking in het ambt waarin hij voorheen vast benoemd was.

§ 3. Het personeelslid dat in een selectie- of bevorderingsambt tijdelijk aangesteld is, wordt, met toepassing van artikel 60, 10°, ontslagen door de inrichtende macht als het voor dat selectie- of bevorderingsambt één definitieve evaluatie met eindconclusie “onvoldoende” heeft gekregen.

Het ontslag geldt voor het ambt in die instelling of dat centrum waarop de evaluatie met eindconclusie “onvoldoende” betrekking heeft.

Afdeling III. – Het college van beroep

Art. 47septiesdecies.

§ 1. Er wordt een college van beroep opgericht, bestaande uit drie kamers waarvan twee kamers ten behoeve van het personeel waarop dit decreet van toepassing is. Er is een kamer voor :

1° het gesubsidieerd vrij onderwijs;

2° het gesubsidieerd officieel onderwijs.

§ 2. Het college van beroep doet in een met redenen omklede beslissing uitspraak over de evaluatie met eindconclusie “onvoldoende” door enerzijds na te gaan of de evaluatie op een zorgvuldige en kwaliteitsvolle manier is gebeurd, anderzijds dient zij de redelijkheid van de sanctie te beoordelen.

Het college van beroep heeft de volgende bevoegdheden :

1° nagaan of de procedureregels op het niveau van de instelling of het centrum zijn nageleefd. Aan de hand van elementen uit het dossier moet worden nagegaan of :

– zowel de procedure betreffende de evaluatie als de procedure betreffende het vastleggen van de functiebeschrijvingen werden nageleefd;

– de rechten van verdediging niet werden geschonden;

2° nagaan of de evaluatie is gebeurd volgens de regels en in de geest van de functiebeschrijvingen en evaluatie;

3° oordelen of de beslissing betreffende een evaluatie met eindconclusie “onvoldoende” steunt op motieven die de toekenning van een evaluatie met eindconclusie “onvoldoende” in rechte en in feite aanvaardbaar maken;

4° oordelen of er een redelijke verhouding bestaat tussen de feiten en de uiteindelijke beslissing tot het geven van een evaluatie met eindconclusie “onvoldoende”;

5° de beslissing betreffende een evaluatie met eindconclusie “onvoldoende” vernietigen.

§ 3. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regelen inzake de samenstelling en de uitoefening van het mandaat van de leden van het college van beroep met dien verstande dat :

1° het college van beroep wordt voorgezeten door een onafhankelijk persoon;

2° er een pariteit is tussen de vertegenwoordigers van de werkgevers- en werknemersorganisaties;

3° het college van beroep beslist bij gewone meerderheid van stemmen;

4° de voorzitter stemgerechtigd is : bij staking van stemmen na een tweede stemronde is de stem van de voorzitter doorslaggevend;

5° bij de stemming er steeds pariteit moet zijn tussen de vertegenwoordigers van de werkgevers- en werknemersorganisaties, behoudens bij een tweede zitting wanneer op de eerste zitting de vertegenwoordigers van één van beide organisaties afwezig bleven.

De Vlaamse Regering benoemt de voorzitter en bepaalt de vergoedingen waarop hij recht heeft.

§ 4. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regelen inzake het secretariaat en de werkingskosten van het college van beroep.

§ 5. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regelen betreffende beroepsprocedure en betreffende de werking van het college van beroep in het procedurereglement, met dien verstande dat :

1° op straffe van verval het beroep dient ingesteld te worden binnen een termijn van twintig kalenderdagen volgend op de overhandiging van de kopie van het evaluatieverslag met eindconclusie “onvoldoende” door de eerste evaluator of door de inrichtende macht voor de beheerder van een internaat, de directeur en desgevallend de adjunct-directeur. Deze termijn kan worden opgeschort tijdens een vakantieperiode;

2° het beroep de evaluatie met eindconclusie “onvoldoende” opschort;

3° voor het vaststellen van de redenen tot wraking van de voorzitter en de leden zal worden uitgegaan van het bepaalde in artikel 828 van het Gerechtelijk Wetboek;

4° de rechten van de verdediging tijdens de procedure worden gewaarborgd.]

Decr. 13-7-2007

HOOFDSTUK VI. – Administratieve standen

Afdeling 1. – Algemene bepalingen

Art. 48.

De administratieve standen waarin de personeelsleden zich geheel of gedeeltelijk kunnen bevinden zijn :

– dienstactiviteit;

– non-activiteit;

– terbeschikkingstelling.

Art. 49.

Een personeelslid wordt voor de vaststelling van zijn administratieve stand altijd geacht zich in dienstactiviteit te bevinden, behoudens een uitdrukkelijke bepaling die het personeelslid van rechtswege of bij beslissing van de bevoegde overheid in een andere administratieve stand plaatst.

Afdeling 2. – Dienstactiviteit

Art. 50.

Behoudens uitdrukkelijk strijdige bepaling heeft het personeelslid in dienstactiviteit recht op een wedde en op verhoging in wedde en kan het zijn aanspraak doen gelden op een selectie- en bevorderingsambt.

Art. 51.

Het personeelslid verkrijgt onder de door de Vlaamse Regering bepaalde voorwaarden, verlof, gelijkgesteld met dienstactiviteit.

In afwachting van de uitvaardiging door de Vlaamse Regering van de verlofstelsels blijven de op het ogenblik van het van kracht worden van dit decreet geldende wettelijke of reglementaire verlofstelsels van toepassing.

[Als in de voormelde wettelijke of reglementaire bepalingen of in de door de Vlaamse Regering uitgevaardigde verlofstelsels wordt vermeld dat als gevolg van een tijdens het schooljaar of dienstjaar genoten verlof het salaris tijdens het jaarlijkse vakantieverlof in evenredige mate wordt verminderd, heeft dat tot gevolg dat in de zomervakantie van dat schooljaar of dienstjaar, enkel voor de bezoldiging, een aantal kalenderdagen eveneens als dergelijk verlof wordt beschouwd. De aldus met een periode van verlof gelijkgestelde dagen worden niet meegerekend om de duur te bepalen van de periode van verlof waarop het personeelslid nog recht heeft. Voor het berekenen van dit aantal kalenderdagen :

1° worden het aantal kalenderdagen genoten verlof opgeteld met een maximum van driehonderd dagen per schooljaar of dienstjaar;

2° wordt het resultaat met 0,2 vermenigvuldigd;

3° wordt het resultaat naar de lagere eenheid afgerond.]

Decr. 22-6-2007

[Art. 51bis.

De terbeschikkingstellingen wegens bijzondere opdracht toegekend aan de personeelsleden wordt omgezet in een verlof wegens opdracht in het belang van het onderwijs op voorwaarde dat :

– deze terbeschikkingstellingen worden toegekend vóór 1 september 1998; en

– dat in het ministerieel besluit dat hen deze terbeschikkingstelling toestond, werd gestipuleerd dat hen een wachtgeld of wachtgeldtoelage zou worden toegekend, die gelijk is aan de activiteitswedde of activiteitstoelage, die ze zouden genoten hebben indien ze in dienst waren gebleven.]

Decr. 18-5-1999

[Art. 51ter.

De personeelsleden die deelnemen aan de nascholingsactiviteiten zoals bedoeld in titel IV van het decreet van 16 april 1996 betreffende de lerarenopleiding en de nascholing bevinden zich van rechtswege in de stand “dienstactiviteit” gedurende de periode van nascholing. Zij blijven alle voordelen genieten die zij in hun ambt genoten, met inbegrip van de weddenverhogingen en bijkomende vergoedingen.]

Decr. 14-2-2003

[Art. 51quater.

§ 1. Personeelsleden kunnen een verlof wegens bijzondere opdracht of een verlof wegens opdracht opnemen voor diensten of projecten met belang voor het onderwijs.

Het betreft diensten of projecten die de werking van het onderwijs ten goede komen door deelname, ondersteuning en begeleiding te leveren inzake vernieuwingen of experimenten op onderwijsvlak, inzake het onderwijsbeleid of inzake het onderwijsonderzoek.

§ 2. Personeelsleden kunnen onder de voorwaarde bepaald door de Vlaamse regering een verlof wegens bijzondere opdracht bekomen, zonder terugbetaling van het salaris, in het kader van de hiernavolgende diensten of projecten :

1° de pedagogische begeleidingsdiensten en nascholing op initiatief van de representatieve groeperingen van inrichtende machten van het gesubsidieerd onderwijs;

2° de Europese scholen;

3° de projecten waarbij er een vervanging is door gesubsidieerde contractuelen, die door het departement Onderwijs worden bezoldigd, of door personeelsleden bedoeld in artikel X.57 van het decreet van 14 februari 2003 betreffende het onderwijs XIV;

4° de projecten die door het Gemeenschapsonderwijs en door één of meerdere representatieve groeperingen van inrichtende machten of door meerdere representatieve groeperingen van inrichtende machten worden uitgevoerd. Deze projecten worden geadviseerd door de Vlaamse Onderwijsraad;

5° de functie van secretaris van een reaffectatiecommissie;

6° de examencommissies van de Vlaamse Gemeenschap;

7° de Dienst voor Onderwijsontwikkeling;

8° de projecten opgezet of erkend door de Vlaamse minister bevoegd voor Onderwijs;

9° de projecten die kaderen in een door de Vlaamse Gemeenschap onderschreven Europese en bilaterale uitwisselingsprojecten;

10° de door de Europese Unie ondersteunde Europese onderwijsprojecten;

11° [[het Vlaamse Centrum voor Onderwijsgebonden Sport;]]¹

12° de Ondersteuningscentra van ouderverenigingen;

13° het begeleiden en ondersteunen van de inspraakstructuren in het onderwijs.

De Vlaamse regering kan de in het eerste lid bedoelde lijst uitbreiden met initiatieven en projecten die een bijzonder belang voor het onderwijs vertonen.

[[De Vlaamse Regering stelt voor de verloven wegens bijzondere opdracht de nadere bepalingen op, onder meer voor wat betreft de beslissende en/of adviserende instantie en de bepaling van het totaal aantal.]]³

§ 3. De personeelsleden kunnen onder de voorwaarden bepaald door de Vlaamse regering een verlof wegens opdracht bekomen, mits een terugbetaling van het salaris, voor een dienst of project in het belang van het onderwijs.

De Vlaamse regering bepaalt naast de in het eerste lid bedoelde voorwaarde :

1° ten aanzien van de dienst/het project :

– de wijze waarop het verband tussen de betrokken dienst/project en het belang van het onderwijs moet worden aangetoond;

– [[…]]³

– voor welke diensten en projecten het verlof wegens opdracht beperkt wordt tot een bepaalde maximumduur;

2° ten aanzien van het betrokken personeelslid :

– voor welke diensten en projecten het verlof wegens opdracht in hoofde van het personeelslid beperkt wordt tot een bepaalde maximumduur;

– de gevolgen voor de administratieve en geldelijke rechtspositie van het betrokken personeelslid;

3° [[ten aanzien van de instelling waar het personeelslid geaffecteerd of aangesteld is :

– de wijze waarop zij in het beslissingsproces wordt betrokken.]]² ]

Decr. 14-2-2003; [[ ]]¹ Decr. 7-5-2004; [[ ]]² Decr. 7-7-2006; [[ ]]³ Decr. 22-6-2007

[Art. 51quinquies.

Een personeelslid dat met toepassing van de artikelen 41 en 42 van de arbeidswet van 16 maart 1971 door de werkgever verwijderd werd uit een risico, kan door de bevoegde inrichtende macht belast worden met pedagogische of administratieve taken in een niet-organieke betrekking in haar ambt in de instelling of het centrum in kwestie en/of voor de scholengemeenschap. Mits onderling akkoord kan het personeelslid deze taken ook uitoefenen in een andere instelling van de scholengemeenschap.

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere administratieve en geldelijke gevolgen van deze maatregel.]

Decr. 7-7-2006

Afdeling 3. – Non-activiteit

Art. 52.

Behoudens uitdrukkelijk strijdige bepaling heeft het personeelslid in de stand van non-activiteit geen recht op wedde.

Het kan alleen onder de door de Vlaamse Regering gestelde voorwaarden aanspraak maken op een verhoging in wedde en op een selectie- of bevorderingsambt.

Art. 53.

[…]

Decr. 7-7-2006

Art. 54.

Onder de door de Vlaamse Regering bepaalde voorwaarden is het personeelslid in de stand non-activiteit :

a) wanneer het in vredestijd sommige militaire prestaties vervult of voor de civiele bescherming of voor taken van openbaar nut wordt aangewezen op grond van de wetten houdende het statuut van de gewetensbezwaarden, gecoördineerd op 20 februari 1980;

b) wanneer het een afwezigheid van lange duur gewettigd door familiale redenen wordt toegestaan;

c) wanneer het afwezig is op grond van een machtiging om zijn ambt met verminderde prestaties wegens persoonlijke aangelegenheid uit te oefenen. In dit geval is het personeelslid in non-activiteit voor de niet-uitgeoefende prestaties;

[d) wanneer het ambt dat het als vastbenoemd personeelslid uitoefent niet langer beschouwd kan worden als hoofdambt in de zin van de bezoldigingsregeling die op hem van toepassing is. In dit geval is het personeelslid in non-activiteit voor de prestaties waarvoor het vast benoemd is, maar waarvoor het geen wedde meer ontvangt.]²

In afwachting dat de Vlaamse Regering de hiervoor bedoelde voorwaarden vastlegt, blijven de op het ogenblik van het van kracht worden van dit decreet geldende wettelijke of reglementaire bepalingen van toepassing.

[Het personeelslid is eveneens in de stand non-activiteit wanneer het met politiek verlof is, met inbegrip van de periode van eventuele uitgestelde indiensttreding na het beëindigen van het mandaat.]¹

[ ]¹ Decr. 28-4-1993; [ ]² Decr. 13-7-2001

Art. 55.

Ongewettigde afwezigheid plaatst het personeelslid ambtshalve in de stand non-activiteit.

Tijdens de periodes van ongewettigde afwezigheid kan het personeelslid geen aanspraak maken op bevordering tot een hogere wedde en op een benoeming in een selectie- of bevorderingsambt.

Afdeling 4. – Terbeschikkingstelling

Art. 56.

Onverminderd de bepalingen betreffende de terbeschikkingstelling bij tuchtmaatregel, kan het personeelslid onder de door de Vlaamse Regering bepaalde voorwaarden, zonder opzegging, ter beschikking worden gesteld :

a) wegens ontstentenis van betrekking;

b) […]

c) wegens ziekte of gebrekkigheid;

d) wegens persoonlijke aangelegenheden;

e) wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst;

f) wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen.

Decr. 14-2-2003

[Een overeenkomstig a), b) en c), ter beschikking gesteld personeelslid kan gedurende twee jaar zijn aanspraken op een selectie- of bevorderingsambt en op bevordering tot een hogere wedde doen gelden. Deze periode wordt op negen jaar gebracht indien het personeelslid na het schooljaar 1989-1990 een eerste maal overeenkomstig b) ter beschikking gesteld is om een opdracht te vervullen in een Europese school.]

Decr. 15-7-1997

In afwachting dat de Vlaamse Regering de hiervoor bedoelde voorwaarden vastlegt, blijven de op het ogenblik van het van kracht worden van dit decreet geldende wettelijke of reglementaire bepalingen van toepassing.

[De wettelijke feestdagen, de weekends en de herfst-, kerst-, krokus- en paasvakantie die, geheel of gedeeltelijk, onmiddellijk aansluiten aan een voorafgaande periode van terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden, en die een nieuwe periode van terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden onmiddellijk voorafgaan, worden eveneens als een periode van terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden beschouwd.

Onverminderd de berekeningswijze van de tijdens de zomervakantie toe te kennen uitgestelde bezoldiging en als in de voormelde wettelijke of reglementaire bepalingen of in de door de Vlaamse Regering vastgelegde voorwaarden wordt vermeld dat als gevolg van een tijdens het schooljaar of dienstjaar genoten terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden het salaris tijdens het jaarlijkse vakantieverlof in evenredige mate wordt verminderd, heeft dat tot gevolg dat in de zomervakantie van dat schooljaar of dienstjaar een aantal kalenderdagen niet worden bezoldigd. Om dit aantal kalenderdagen te berekenen :

1° worden alle kalenderdagen genoten terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden opgeteld met een maximum van driehonderd dagen per schooljaar of dienstjaar;

2° wordt het resultaat met 0,2 vermenigvuldigd;

3° wordt het resultaat naar de lagere eenheid afgerond.

Als ten gevolge van die berekening het maandsalaris niet volledig verschuldigd is, wordt het in dertigsten verdeeld in overeenstemming met de regeling die in dat geval voor de vastbenoemde personeelsleden wordt toegepast.

Onverminderd de berekeningswijze van de geldelijke anciënniteit voor tijdelijke personeelsleden met het recht op uitgestelde bezoldiging, komen de voormelde dagen wel in aanmerking voor de berekening van de geldelijke anciënniteit en worden niet meegerekend om de duur te bepalen van de periode van terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden waarop het personeelslid nog recht heeft.

In afwijking van de bepalingen van het vijfde lid eindigt de terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden toegekend voor een volledig schooljaar of dienstjaar steeds bij het einde van dat schooljaar of dienstjaar, de zomervakantie inbegrepen.]

Decr. 22-6-2007

Art. 57.

§ 1. Niemand kan ter beschikking worden gesteld of gehouden na het einde van de maand waarin hij de leeftijd van 60 jaar bereikt en dertig dienstjaren telt die in aanmerking komen voor de berekening van het rustpensioen.

§ 2. Het bepaalde van de vorige paragraaf is niet van toepassing op de personeelsleden :

1° die ter beschikking werden gesteld wegens gedeeltelijke ontstentenis van betrekking;

2° de directeurs van een kleuter- of lagere of basisschool, de onderwijzers, de leermeesters niet-confessionele zedenleer, de leermeesters godsdienst, de leermeesters lichamelijke opvoeding en de bijzondere leermeesters die ter beschikking gesteld zijn wegens ontstentenis van betrekking bij toepassing van de wettelijke bepalingen tot opheffing van de vierde graden of van artikel 22, derde lid, a en c van de wetten op het lager onderwijs, gecoördineerd op 20 augustus 1957, of nog van de bepalingen van het koninklijk besluit van 8 oktober 1975 houdende de eerste maatregelen tot rationalisatie van het gewoon lager onderwijs, van toepassing vanaf het schooljaar 1975-1976;

3° de personeelsleden die ter beschikking gesteld zijn wegens ontstentenis van betrekking en op wie de bepalingen toepasselijk zijn van :

a) artikel 22 van het koninklijk besluit nr. 49 van 2 juli 1982 betreffende de oprichtingsnormen en de herstructurering in het secundair onderwijs met volledig leerplan;

b) artikel 39 van het koninklijk besluit nr. 439 van 11 augustus 1986 houdende rationalisatie en programmatie van het buitengewoon onderwijs;

c) artikel 25 van het koninklijk besluit nr. 460 van 17 september 1986 tot vaststelling van het rationalisatieplan en het programmatieplan van het hoger onderwijs van het korte type en tot wijziging van de wetgeving betreffende de organisatie van het hoger onderwijs van het lange type;

d) artikel 16 van het koninklijk besluit nr. 461 van 17 september 1986 houdende het rationalisatie- en programmatieplan van het onderwijs voor sociale promotie;

e) artikel 14 van het koninklijk besluit nr. 541 van 31 maart 1987 houdende het rationalisatie- en programmatieplan van het aanvullend secundair beroepsonderwijs;

f) artikel 11bis van het koninklijk besluit nr. 467 van 1 oktober 1986 betreffende de rationalisatie en programmatie en de normen inzake personeelsomkadering van de psycho-medisch-sociale centra en tot vaststelling van de voorwaarden voor toegang tot de Fondsen voor schoolgebouwen;

[4° die ter beschikking werden gesteld wegens bijzondere opdracht met het oog op een opdracht in de Europese scholen.

Deze personeelsleden kunnen ter beschikking gesteld blijven tot op het einde van het schooljaar waarin zij de leeftijd van zestig jaar bereiken;]¹

[5° die volledig, halftijds of een vierde ter beschikking zijn gesteld in toepassing van de overgangsmaatregel zoals bepaald in artikel 9quinquies van het besluit van 11 februari 2000 betreffende de volledige terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen voor personeelsleden van het onderwijs en van de psycho-medisch-sociale centra.

De terbeschikkingstelling zoals bedoeld in het eerste lid, kan ook aanvangen na of verder lopen dan het tijdstip waarop het personeelslid het recht heeft verkregen op een pensioen ten laste van de Schatkist.]¹

[6° die ter beschikking gesteld zijn of worden wegens persoonlijke aangelegenheid.]²

[ ]¹ Decr. 14-2-2003; [ ]² Decr. 22-6-2007

Art. 58.

[De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden waaronder de personeelsleden die terbeschikking gesteld zijn :

a) wegens volledige ontstentenis van betrekking of om de redenen vermeld in artikel 56, eerste lid, b), c), e) en f), aanspraak kunnen maken op een wachtgeldtoelage;

b) wegens volledige ontstentenis van betrekking doch volledig of gedeeltelijk gereaffecteerd of wedertewerkgesteld zijn, aanspraak kunnen maken op een weddetoelage;

c) wegens gedeeltelijke ontstentenis van betrekking aanspraak kunnen maken op een weddetoelage.]

Decr. 28-4-1993

De wachtgeldtoelage, de toelagen en de vergoedingen die eventueel aan deze personeelsleden worden toegekend, zijn onderworpen aan de mobiliteitsregeling die geldt voor de bezoldiging van de personeelsleden in dienstactiviteit. In afwachting dat de Vlaamse Regering de hiervoor bedoelde voorwaarden vastlegt, blijven de op het ogenblik van het van kracht worden van dit decreet geldende wettelijke of reglementaire bepalingen van toepassing.

Art. 59.

[…]

Decr. 9-4-1992

HOOFDSTUK VII. – Definitieve ambtsneerlegging

Art. 60.

Onverminderd de bepalingen van artikel 21 in verband met de beëindiging van de tijdelijke aanstelling wordt het tijdelijk aangestelde of het vast benoemde personeelslid voor zover niet anders bepaald, […]² zonder opzegging uit zijn ambt ontslagen :

1° indien het niet meer voldoet aan de volgende voorwaarden :

a) [onderdaan van een lidstaat van de Europese Unie of van de Europese Vrijhandelsassociatie zijn, behoudens door de Vlaamse regering te verlenen vrijstelling;]¹

b) [de burgerlijke en politieke rechten genieten, behoudens een door de Vlaamse regering te verlenen vrijstelling die samengaat met de vrijstelling bedoeld in a);]¹

c) de verplichtingen van de dienstplichtwetten nakomen;

[ ]¹ Decr. 13-7-2001; [ ]² Decr. 13-7-2007

2° indien het na een geoorloofde afwezigheid zonder geldige reden behoudens overmacht, zijn dienst niet hervat en gedurende een ononderbroken periode van meer dan tien kalenderdagen afwezig blijft;

3° indien het zonder geldige reden zijn betrekking verlaat en gedurende een ononderbroken periode van meer dan tien kalenderdagen afwezig blijft;

4° indien het zich bevindt in de gevallen waarin de toepassing van de burgerlijke wetten en van de strafwetten de ambtsneerlegging ten gevolge heeft;

5° indien het na uitputting van de procedure weigert een einde te maken aan een vastgestelde en volgehouden toestand van onverenigbaarheid; […]

Decr. 13-7-2007

6° indien is vastgesteld dat het wegens een overeenkomstig de wet, het decreet of een reglement erkende blijvende arbeidsongeschiktheid niet meer in staat is zijn ambt naar behoren te vervullen;

7° indien het na terugroeping in actieve dienst zonder gegronde redenen weigert de door de inrichtende macht aangewezen betrekking te bekleden;

[8° vanaf het ogenblik van de benoeming in vast verband in een voltijdse betrekking in hoofdambt buiten respectievelijk het gesubsidieerd vrij of het gesubsidieerd officieel onderwijs;]

Decr. 28-4-1993

9° [vanaf het ogenblik waarop de inrichtende macht, op verzoek van bevoegde instantie van de betrokken eredienst of de bevoegde instantie van de niet-confessionele zedenleer, aan de opdracht van de godsdienstleerkracht, de leermeester niet-confessionele zedenleer of de leraar secundair onderwijs belast met niet-confessionele zedenleer een einde maakt; [[…]] ]

Decr. 18-5-1999; [[ ]] Decr. 13-7-2007

[10° vanaf het ogenblik dat voor het personeelslid dat in een wervingsambt tijdelijk aangesteld is voor bepaalde duur of tijdelijk aangesteld is in een selectie- of bevorderingsambt, de voorwaarden voor een ontslag in toepassing van artikel 47quaterdecies of artikel 47sexiesdecies, § 3, vervuld zijn;

11° vanaf het ogenblik dat voor het vastbenoemde personeelslid of het personeelslid dat tijdelijk aangesteld is voor doorlopende duur, de voorwaarden voor een ontslag in toepassing van artikel 47terdecies of artikel 47sexies decies, § 1, vervuld zijn.]

Decr. 13-7-2007

Art. 61.

[De beslissing waarbij een personeelslid in toepassing van artikel 60 of artikel 62, 3°, wordt ontslagen, wordt met redenen omkleed en ter kennis gebracht van de betrokkene.

Onverminderd artikel 62bis kan deze kennisgeving enkel geschieden hetzij bij ter post aangetekende brief die uitwerking heeft op de derde werkdag na de datum van verzending, hetzij bij gerechtsdeurwaardersexploot, met dien verstande dat het personeelslid die nietigheid niet kan dekken en dat ze door de rechter van ambtswege wordt vastgesteld.]

Decr. 13-7-2007

Art. 62.

Voor de vast benoemde personeelsleden [en voor de tijdelijken met een aanstelling van doorlopende duur] geven eveneens aanleiding tot definitieve ambtsneerlegging :

Decr. 18-5-1999

1° het vrijwillig ontslag. Tenzij bij onderlinge overeenkomst een andere termijn wordt overeengekomen mag het personeelslid zijn dienst slechts verlaten na inachtneming van een opzeggingstermijn van minstens vijftien kalenderdagen;

2° de pensionering wegens het bereiken van de leeftijdsgrens;

3° het ontslag als gevolg van een tuchtmaatregel.

[Art. 62bis.

Een vastbenoemd personeelslid dat in toepassing van artikel 60, 5°, 9°, 10° of 11°, of artikel 62, 3°, wordt ontslagen, wordt pas definitief uit zijn ambt verwijderd na een opzeggingstermijn waarvan de duur wordt vastgesteld volgens het aantal arbeidsdagen dat vereist is om aanspraak te kunnen maken op uitkeringen in het kader van de werkloosheidsreglementering en van de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering.

Deze opzeggingstermijn begint te lopen vanaf de betekening van de beslissing bedoeld in artikel 61.

Tijdens deze opzeggingstermijn wordt het personeelslid beschouwd als tijdelijk aangesteld. Het kan door de inrichtende macht met een andere opdracht worden belast en het kan, naar rato van de grootte van zijn oorspronkelijke opdracht, worden vervangen.

Het personeelslid ontvangt het brutosalaris verbonden aan het ambt waarin het vast benoemd was.

Het personeelslid kan geheel of gedeeltelijk afstand doen van die opzeggingstermijn.]

Decr. 13-7-2007

HOOFDSTUK VIII. – Sancties

Art. 63.

Alle bedingen of bepalingen strijdig met dwingende wets-, decreets- of reglementsbepalingen of met aanvullende regels van het bevoegd paritair comité, zijn nietig voor zover zij ertoe strekken de rechten van het personeelslid in te korten.

HOOFDSTUK IX. – Tuchtregeling

[Art. 63bis.

[[Dit hoofdstuk is van toepassing op de volgende personeelsleden :

– de vastbenoemde personeelsleden;

– de personeelsleden die tijdelijk aangesteld zijn voor doorlopende duur;

– de vastbenoemde personeelsleden die ter beschikking zijn gesteld wegens ontstentenis van betrekking en die zijn gereaffecteerd of weder tewerkgesteld.]] ]

Decr. 14-7-1998; [[ ]] Decr. 14-2-2003

Afdeling 1. – De tuchtstraffen

Art. 64.

In geval van tekortkoming aan hun plichten kunnen de […]² personeelsleden één van de volgende sancties oplopen :

1° de blaam;

2° de afhouding van de wedde;

3° de schorsing bij tuchtmaatregel;

4° de terbeschikkingstelling bij tuchtmaatregel;

5° [de terugkeer tot de tijdelijke aanstelling voor het personeelslid dat vast benoemd is in een wervingsambt, de terugzetting in rang voor het personeelslid dat vast benoemd is in een selectie- of bevorderingsambt of het uitstel van vaste benoeming voor een bepaalde duur van het personeelslid dat tijdelijk aangesteld is voor doorlopende duur.]³

6° het ontslag. [Naargelang de aard van de redenen waarom een ontslag gegeven wordt, kan de inrichtende macht beslissen dat dit ontslag betrekking heeft op één, meerdere of al haar instellingen.]4

Een tuchtmaatregel is definitief indien de termijn waarin is voorzien voor het instellen van een beroep is verstreken of nadat in beroep een definitieve beslissing werd genomen.

[Betreft het een godsdienstleerkracht, een leermeester niet-confessionele zedenleer of leraar secundair onderwijs belast met niet-confessionele zedenleer dan kan de tuchtstraf enkel worden opgelegd op voorstel of met instemming van de bevoegde instantie van de betrokken godsdienst of de niet-confessionele zedenleer.]¹

[ ]¹ Decr. 18-5-1999; [ ]² Decr. 13-7-2001; [ ]³ Decr. 7-7-2006; [ ]4 Decr. 13-7-2007

Art. 65.

§ 1. De afhouding van de wedde wordt toegepast ten hoogste zes maanden en mag niet meer dan één vijfde van de laatste bruto-activiteitswedde per maand bedragen.

§ 2. De schorsing bij tuchtmaatregel wordt uitgesproken voor ten hoogste één jaar. Het personeelslid wordt uit zijn ambt verwijderd doch blijft in de administratieve stand waarin het zich bevond op de dag voor de tuchtschorsing. Onverminderd het bepaalde in § 4, heeft de schorsing de halvering van de laatste [bruto-activiteitsweddentoelage of -wachtgeldtoelage] tot gevolg.

Decr. 14-2-2003

§ 3. De terbeschikkingstelling bij tuchtmaatregel mag niet minder dan één jaar bedragen en mag de twee jaar niet overschrijden. Het personeelslid wordt uit zijn ambt verwijderd en ontvangt een wachtgeld ten bedrage van de helft van de laatste bruto-activiteitswedde.

§ 4. De afhouding van de wedde of de toekenning, met toepassing van § 3, van een wachtgeld mag niet tot gevolg hebben dat de wedde van het personeelslid wordt verminderd tot een bedrag lager dan het bedrag van de werkloosheidsuitkering waarop de betrokkene recht zou hebben indien hij in het stelsel van de sociale zekerheid voor werknemers dat voordeel zou genieten.

§ 5. Bij terugkeer tot de tijdelijke aanstelling blijft het personeelslid in de betrekking die het als vast benoemd personeelslid bekleedde de dag voorafgaand aan de tuchtuitspraak en behoort tot de categorie bedoeld in [, al naargelang het geval [[artikel 23, § 3, of artikel 23bis, § 3]],] en is reaffectatievrij. Het personeelslid dat bij tuchtmaatregel is teruggezet tot de tijdelijke aanstelling, komt slechts opnieuw in aanmerking voor een vaste benoeming na verloop van twee volledige schooljaren volgend op de uitspraak.

Decr. 18-5-1999; [[ ]] Decr. 14-2-2003

§ 6. [Bij de terugzetting in rang wordt het personeelslid bezoldigd volgens de [[salarisschaal]] verbonden aan het ambt dat hem bij die tuchtmaatregel is toegewezen.

De Vlaamse regering bepaalt de nadere gevolgen van deze sanctie inzonderheid de gevolgen ten aanzien van de andere personeelsleden.]

Decr. 13-7-2001; [[ ]] Decr. 22-6-2007

[§ 7. Bij het uitstel van vaste benoeming blijft het personeelslid aangesteld voor doorlopende duur en blijft ook het recht op zulke aanstelling behouden. Het komt slechts opnieuw in aanmerking voor een vaste benoeming na verloop van twee volledige schooljaren volgend op de uitspraak.]

Decr. 7-7-2006

Art. 66.

[…]

Decr. 13-7-2007

Afdeling 2. – De preventieve schorsing

Art. 67.

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regelen inzake de preventieve schorsing. Deze preventieve schorsing is enkel mogelijk tijdens de behandeling van een tuchtvordering indien het belang van de dienst zulks vereist. De preventieve schorsing is een bewarende maatregel uitgesproken door de inrichtende macht en mag behoudens bij strafrechtelijke vervolging voor dezelfde feiten, niet meer dan één jaar bedragen. Het hiervoor bedoelde besluit waarborgt de rechten van verdediging.

Afdeling 3. – De tuchtmacht

Art. 68.

[§ 1. Behoudens de in § 2 [[en § 2bis]] van dit artikel bepaalde afwijkingen wordt de tuchtmacht uitgeoefend door de tot benoemen bevoegde overheid.

§ 2. In het gemeentelijk onderwijs is het schepencollege bevoegd om de blaam, de afhouding van wedde en de schorsing bij tuchtmaatregel voor maximum 1 maand op te leggen. In het provinciaal onderwijs heeft de bestendige deputatie dezelfde bevoegdheid.

[[§ 2bis. Indien het personeelslid ter beschikking gesteld is wegens ontstentenis van betrekking en met toepassing van de geldende decretale en reglementaire bepalingen gereaffecteerd of wedertewerkgesteld is, oefent de inrichtende macht bij wie het personeelslid een opdracht verricht voor die opdracht de tuchtmacht uit volgens de ter zake toepasselijke decretale en reglementaire bepalingen.

De Vlaamse regering kan nadere modaliteiten bepalen volgens dewelke deze tuchtmacht wordt uitgeoefend.]]

§ 3. De Vlaamse regering bepaalt de nadere regelen inzake de uitoefening van de tuchtmacht. Het hiervoor bedoelde besluit waarborgt de rechten van verdediging.]

Decr. 21-12-1994; [[ ]] Decr. 14-2-2003

Afdeling 4. – De kamers van beroep

Art. 69.

§ 1. Er worden kamers van beroep ingesteld ten behoeve van het personeel waarop dit decreet van toepassing is. Er zijn kamers van beroep voor :

1° het gesubsidieerd vrij onderwijs;

2° het gesubsidieerd officieel onderwijs;

3° de gesubsidieerde vrije [CLB’s];

4° de gesubsidieerde officiële [CLB’s].

Decr. 1-12-1998

Op verzoek van één of meer vertegenwoordigers van de representatieve organisaties van inrichtende machten en van de representatieve vakorganisaties worden door de Vlaamse Regering andere kamers van beroep ingesteld ten behoeve van de onderwijsinstellingen en centra aangesloten bij deze overkoepelende representatieve organisaties van inrichtende machten. Deze andere kamers komen in de plaats van de hiervoor opgesomde kamers ten aanzien van de personeelsleden en de inrichtende machten die onder deze beslissing vallen.

§ 2. De kamers van beroep doen in laatste aanleg uitspraak over het beroep dat door een personeelslid werd ingesteld tegen een door de inrichtende macht opgelegde tuchtmaatregel. Zij doen tevens uitspraak in alle aangelegenheden waarvoor door of krachtens dit decreet bevoegdheid werd verleend.

Art. 70.

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regelen inzake de samenstelling en de uitoefening van het mandaat van de leden van de kamers van beroep met dien verstande dat :

1° de kamers van beroep worden voorgezeten door een onafhankelijk persoon;

2° er een pariteit is tussen de vertegenwoordigers van de werkgevers- en werknemersorganisaties;

3° de kamers van beroep beslissen bij gewone meerderheid van stemmen;

4° [de voorzitter stemgerechtigd is : bij staking van stemmen na een tweede stemronde is de stem van de voorzitter doorslaggevend];

Decr. 14-7-1998

5° bij de stemming er steeds pariteit moet zijn tussen de vertegenwoordigers van de werkgevers- en werknemersorganisaties, behoudens bij een tweede zitting wanneer op de eerste zitting de vertegenwoordigers van één van beide organisaties afwezig bleven.

De Vlaamse Regering benoemt de voorzitter en bepaalt de vergoedingen waarop hij recht heeft.

Art. 71.

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regelen inzake het secretariaat en de werkingskosten van de kamers van beroep.

Afdeling 5. – De procedure in beroep

Art. 72.

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regelen betreffende de werkwijze van de kamer van beroep, in het procedurereglement, met dien verstande dat :

1° op straffe van verval het beroep dient ingesteld te worden binnen een termijn van twintig kalenderdagen volgend op de schriftelijke mededeling van de sanctie door de inrichtende macht;

2° het beroep de tuchtmaatregel opschort;

3° de aangevatte preventieve schorsing tijdens de beroepsprocedure kan worden verlengd, ook na het verstrijken van de in artikel 67 bedoelde termijn;

4° voor het vaststellen van de redenen tot wraking van de voorzitter en de leden zal worden uitgegaan van het bepaalde in artikel 828 van het Gerechtelijk Wetboek;

5° de rechten van de verdediging tijdens de procedure worden gewaarborgd.

Afdeling 6. – Doorhaling van de tuchtstraffen

Art. 73.

§ 1. De doorhaling van de tuchtstraf, de afdanking uitgezonderd, gebeurt van rechtswege na een termijn waarvan de duur is vastgesteld op :

– één jaar voor de blaam;

– drie jaar voor de afhouding van de wedde;

– vijf jaar voor de tuchtschorsing;

– zeven jaar voor de terbeschikkingstelling bij tuchtmaatregel.

De termijn loopt vanaf de datum van de tuchtuitspraak.

§ 2. Onverminderd de uitvoering van de tuchtstraf, heeft de doorhaling tot gevolg dat met de doorgehaalde tuchtstraf geen rekening meer mag worden gehouden inzonderheid bij de aanspraken op een selectie- of bevorderingsambt. De doorgehaalde tuchtstraf wordt uit het personeelsdossier verwijderd.

HOOFDSTUK X – Rechten van personeelsleden bij het overnemen van onderwijsinstellingen

Art. 74.

[§ 1. De personeelsleden van een instelling die door een andere inrichtende macht wordt overgenomen, verkrijgen de hoedanigheid van personeelslid van deze inrichtende macht. Alleen indien de instelling die overgenomen wordt tot een ander net behoort dan datgene waartoe ze na de overname zal behoren, kan een personeelslid afzien van deze hoedanigheid.

§ 2. De personeelsleden bedoeld in § 1 gaan, al naargelang het geval zij vastbenoemd of tijdelijk aangesteld zijn in de instelling die overgenomen wordt, als vastbenoemd of tijdelijk aangesteld personeelslid over.

§ 3. Voor de toepassing van dit decreet worden de diensten gepresteerd in een ambt, betrekking, vak of specialiteit [[bij de inrichtende macht die de instelling overlaat,]] geacht gepresteerd te zijn in hetzelfde ambt, dezelfde betrekking, hetzelfde vak of dezelfde specialiteit bij de inrichtende macht die de instelling overneemt. Wanneer een instelling van het gemeenschapsonderwijs wordt overgenomen, worden de gepresteerde diensten in het gemeenschapsonderwijs beschouwd als diensten gepresteerd in het gesubsidieerd onderwijs.

§ 4. Een kandidatuurstelling voor een tijdelijke aanstelling of voor een vaste benoeming gedaan bij de inrichtende macht die haar instelling overlaat, wordt geacht gedaan te zijn bij de inrichtende macht die de instelling overneemt. [[De mededeling van de vacante betrekkingen met het oog op een vaste benoeming in de instelling die wordt overgelaten, wordt eveneens geacht gedaan te zijn door de inrichtende macht die de instelling overneemt.]] ]

Decr. 15-7-1997; [[ ]] Decr. 14-2-2003

[Art. 74bis.

Voor de personeelsleden van het Provinciaal Maritiem Instituut te Knokke-Heist – Oostende, worden de diensten die zijn gepresteerd in het onderwijs dat werd georganiseerd door de inrichtende macht die op het ogenblik van de overname het bestuur waarnam van de zeevisserijschool van het gemeenschapsonderwijs te Knokke-Heist, de vrije visserijschool te Oostende en de stedelijke visserijschool te Oostende, gelijkgesteld met diensten als personeelslid van het Provinciaal Maritiem Instituut.]

Decr. 8-7-1996

[HOOFDSTUK Xbis. – Rechten van personeelsleden bij wijziging van de samenstelling van een scholengemeenschap

Art. 74ter.

§ 1. Wanneer een instelling die voorheen niet tot een scholengemeenschap behoorde, toetreedt tot een scholengemeenschap, dan worden de diensten die voor de toetreding tot de scholengemeenschap in deze instelling werden gepresteerd in een ambt, betrekking, vak of specialiteit geacht ook gepresteerd te zijn in dat ambt, deze betrekking, dat vak of deze specialiteit in deze scholengemeenschap.

Een kandidaatstelling voor een tijdelijke aanstelling die in toepassing van dit decreet reeds werd gedaan bij het schoolbestuur of inrichtende macht van de betrokken school of instelling, wordt geacht ook gedaan geweest te zijn voor de scholengemeenschap waartoe de school of instelling zal behoren.

§ 2. Wanneer een instelling die voorheen tot een scholengemeenschap behoorde, toetreedt tot een andere scholengemeenschap, dan worden de diensten die voor de toetreding tot deze andere scholengemeenschap in deze instelling werden gepresteerd in een ambt, betrekking, vak of specialiteit geacht ook gepresteerd te zijn in dat ambt, deze betrekking, dat vak of deze specialiteit in deze andere scholengemeenschap.

Een kandidaatstelling voor een tijdelijke aanstelling die in toepassing van dit decreet reeds werd gedaan bij een schoolbestuur of een inrichtende macht van de scholengemeenschap of de raad van bestuur van de scholengroep, wordt geacht ook gedaan geweest te zijn voor de scholengemeenschap waartoe de school of instelling zal behoren.

§ 3. Wanneer een instelling uit een scholengemeenschap treedt, en niet opnieuw toetreedt tot een scholengemeenschap, dan worden de diensten die in deze instelling in de scholengemeenschap werden gepresteerd in een ambt, betrekking, vak of specialiteit steeds geacht gepresteerd te zijn in dat ambt, deze betrekking, dat vak of deze specialiteit in deze instelling.

Een kandidaatstelling voor een tijdelijke aanstelling die in toepassing van dit decreet reeds werd gedaan bij het schoolbestuur of een inrichtende macht van de scholengemeenschap, wordt geacht ook gedaan geweest te zijn bij het betrokken schoolbestuur of de betrokken inrichtende macht.

§ 4. Als de samenstelling van de scholengemeenschap wijzigt na de datum waarop de vacante betrekkingen met het oog op de vaste benoeming werden meegedeeld, dan hebben deze geen uitwerking. De procedure zoals voorzien in hoofdstuk III van dit decreet moet dan worden overgedaan in deze zin dat de datum van 15 april wordt vervangen door 15 oktober en de datum van 15 mei door 15 november.

Het vorige lid is niet van toepassing indien in toepassing van de procedure zoals voorzien in hoofdstuk III van dit decreet de mededeling van vacante betrekkingen reeds heeft plaatsgevonden voor alle instellingen die op 1 september tot dezelfde scholengemeenschap behoren.

§ 5. Voor het basisonderwijs gelden de bepalingen van dit hoofdstuk met ingang van 1 mei 2006.]

Decr. 15-7-2005

[HOOFDSTUK Xter. – Concordantie

Art. 74quater.

§ 1. De Vlaamse Regering kan bij het wijzigen van een personeelscategorie, een ambt, een vak, een specialiteit of de classificatie van een vak of specialiteit, ambtshalve concordanties opstellen. Een ambtshalve concordantie is de omzetting van de bestaande benaming van een personeelscategorie, een ambt, een vak. een specialiteit of een classificatie van een vak of specialiteit naar een nieuwe benaming.

§ 2. [[Voor de toepassing van dit artikel kan de Vlaamse Regering de nadere administratieve en geldelijke bepalingen voor de betrokken personeelsleden vastleggen.

Het betreft bepalingen inzake :

– de prestaties geleverd als tijdelijk personeelslid;

– de rechten met betrekking tot de tijdelijke aanstelling van doorlopende duur;

– de mededeling van vacante betrekkingen met het oog op een vaste benoeming;

– de kandidaatstelling voor een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur of een vaste benoeming;

– de draagwijdte van de vaste benoeming;

– de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, reaffectatie en wedertewerkstelling;

– de bekwaamheidsbewijzen;

– de [[[salarisschalen;]]] ]]

[[[- de nuttige ervaring.]]]

§ 3. Onverminderd de krachtens artikel 146 van de Grondwet door de wet georganiseerde rechtsbescherming worden de concordanties die voor 1 september 2005 werden vastgelegd, beschouwd als zijnde vastgelegd overeenkomstig dit artikel.]

Decr. 15-7-2005; [[ ]] Decr. 7-7-2006; [[[ ]]] Decr. 22-6-2007

[Art. 74quinquies.

§ 1. De Vlaamse Regering kan bij het wijzigen of invoeren van een personeelscategorie, een ambt, een opleiding, een module, een vak, een specialiteit of de classificatie van een vak of specialiteit voorwaarden voor individuele concordanties bepalen.

Een individuele concordantie houdt de omzetting in van de bestaande benaming van een personeelscategorie, een ambt, een opleiding, een module, een vak, een specialiteit of een classificatie van een vak of specialiteit naar een nieuwe benaming voor een welbepaald personeelslid.

De individuele concordantie is persoonsgebonden en eenmalig.

§ 2. Over een individuele concordantie wordt steeds overlegd tussen de inrichtende macht of haar afgevaardigde en het personeelslid.

Als beide partijen tot een overeenkomst komen, wordt een individueel concordantieformulier opgesteld dat door beide partijen wordt ondertekend.

De Vlaamse Regering bepaalt hoe de individuele concordantie wordt meegedeeld opdat ze uitwerking zou hebben ten aanzien van de overheid.

§ 3. Als de inrichtende macht of haar afgevaardigde en het personeelslid geen overeenkomst bereiken als vermeld in § 2, dan deelt de inrichtende macht of haar afgevaardigde de reden hiervan schriftelijk mee aan het betrokken personeelslid.

Het personeelslid kan vervolgens bij de Commissie Bezwaarschriften, hierna commissie te noemen, een gemotiveerd bezwaarschrift neerleggen.

Het personeelslid kan zich ook met een bezwaarschrift tot de commissie wenden als de inrichtende macht nalaat om een beslissing te nemen.

Dat bezwaarschrift houdt in dat het personeelslid een eigen voorstel indient tot concordantie of dat het personeelslid een voorstel indient om geen concordantie te verkrijgen.

De Vlaamse Regering bepaalt de procedure voor de indiening van een bezwaarschrift.

De commissie hoort de betrokken partijen. Ze houdt bij haar uitspraak rekening met de bepalingen van § 1.

Als de commissie het bezwaarschrift van het betrokken personeelslid niet aanvaardt, is de door de inrichtende macht gemaakte keuze in hoofde van het personeelslid bindend en definitief vanaf de vastgelegde ingangsdatum van de concordantie.

Als de commissie het bezwaarschrift van het betrokken personeelslid aanvaardt, is die beslissing ten aanzien van de inrichtende macht bindend en definitief vanaf de vastgelegde ingangsdatum van de concordantie.

De Vlaamse Regering bepaalt de samenstelling van de commissie.

§ 4. De Vlaamse Regering kan inzake een individuele concordantie nadere administratieve en geldelijke bepalingen vastleggen voor de personeelsleden voor wie krachtens § 1 een individuele concordantie nodig is.

Het betreft bepalingen over :

1° de prestaties geleverd als tijdelijk personeelslid;

2° de rechten met betrekking tot de tijdelijke aanstelling van doorlopende duur;

3° de kandidaatstelling voor een tijdelijke aanstelling, een toelating tot de proeftijd, een vaste benoeming of een mutatie;

4° de vacantverklaring van betrekkingen met het oog op een toelating tot de proeftijd, een vaste benoeming of een mutatie;

5° de draagwijdte van de vaste benoeming;

6° de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, reaffectatie en wedertewerkstelling;

7° de bekwaamheidsbewijzen;

8° de salarisschalen;

9° de nuttige ervaring.]

Decr. 22-6-2007

HOOFDSTUK XI. – Opheffings-, overgangs- en slotbepalingen

Art. 75.

Opgeheven worden : …

3° het koninklijk besluit van 13 februari 1968 houdende erkenning van de definitieve benoeming van de personeelsleden der gesubsidieerde officiële en vrije inrichtingen voor kleuter-, lager en buitengewoon, secundair en hoger onderwijs van het korte type en van het lange type met volledig leerplan en van de tehuizen voor kinderen wiens ouders geen vaste verblijfplaats hebben, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 5 augustus 1975, 12 januari 1976 en 8 januari 1980 en bij besluit van de Vlaamse Regering van 28 februari 1990, voor wat de personeelsleden betreft bedoeld in artikel 4; …

Art. 76.

§ 1. Bij wijze van overgangsmaatregel :

1° worden de voor de datum van inwerkingtreding van dit decreet vast benoemde en daarmee gelijkgestelde gesubsidieerde personeelsleden en, in de gevallen waar de erkenning bestaat, de vast benoemde en erkende gesubsidieerde personeelsleden, beschouwd als zijnde in vast verband benoemd in de zin van dit decreet;

2° worden de gesubsidieerde personeelsleden waarvoor de erkenning van benoeming werd aangevraagd voor de datum van inwerkingtreding van dit decreet beschouwd als definitief erkend en bijgevolg als zijnde in vast verband benoemd in de zin van dit decreet, op voorwaarde dat ze voldeden aan de voorwaarden tot erkenning van hun benoeming en dat de betrekking, waarin de benoeming gedaan werd, op grond van de ter zake geldende reglementering niet langer vatbaar was voor reaffectatie of wedertewerkstelling van een in het gesubsidieerd onderwijs wegens ontstentenis van betrekking ter beschikking gesteld personeelslid. [Deze vaste benoeming heeft uitwerking op de datum waarop de vaste benoeming werd verleend door de inrichtende macht;]

Decr. 21-12-1994

3° […]

Decr. 14-2-2003

Deze benoeming is slechts mogelijk in een betrekking die, op grond van de ter zake geldende reglementering, niet langer vatbaar is voor reaffectatie of wedertewerkstelling van een in het gesubsidieerd onderwijs of centra wegens ontstentenis van betrekking ter beschikking gesteld personeelslid;

4° kunnen de gesubsidieerde personeelsleden, die vóór de datum van inwerkingtreding van dit decreet tijdelijk een vacante betrekking in een selectieambt bekleedden, in vast verband benoemd worden in dit ambt indien ze aan de voorwaarde van artikel 40, § 1, 2° , voldoen.

Deze benoeming is slechts mogelijk in een betrekking die, op grond van de ter zake geldende reglementering, niet vatbaar is voor reaffectatie of wedertewerkstelling van een in het gesubsidieerd onderwijs of in een centrum wegens ontstentenis van betrekking ter beschikking gesteld personeelslid.

In afwachting van een benoeming als bedoeld in het vorige lid mogen deze personeelsleden de betrekking die zij in tijdelijk verband bekleedden, verder blijven uitoefenen;

5° kunnen de gesubsidieerde personeelsleden, die vóór de datum van inwerkingtreding van dit decreet tijdelijk een vacante betrekking in een bevorderingsambt bekleedden, in vast verband benoemd worden in dit ambt indien ze voldoen aan de voorwaarden van artikel 40, § 1, 2° .

Deze benoeming is slechts mogelijk in een betrekking die, op grond van de ter zake geldende reglementering, niet vatbaar is voor reaffectatie of wedertewerkstelling van een in het gesubsidieerd onderwijs of in een centrum wegens ontstentenis van betrekking ter beschikking gesteld personeelslid.

In afwachting van een benoeming als bedoeld in het vorig lid mogen deze personeelsleden de betrekking die zij in tijdelijk verband bekleedden, verder blijven uitoefenen.

§ 2. Het bepaalde van § 1, 3° , 4° en 5° is niet van toepassing op de personeelsleden die een betrekking bekleden die hetzij deel uitmaakt van een instelling, afdeling, vestigingsplaats, graad, cyclus of andere onderverdeling die ingevolge de toepassing van de rationalisatiemaatregelen in progressieve opheffing is, hetzij slechts voor een beperkte duur kan worden gesubsidieerd.

§ 3. De personeelsleden voor wie bij de inwerkingtreding van dit decreet weddetoelagen worden uitgekeerd doch die voor een toepassing van het bepaalde in § 1 niet in aanmerking komen worden als tijdelijken in de zin van dit decreet beschouwd, met dien verstande dat na 1 september 1985 gepresteerde gesubsidieerde diensten mede in aanmerking komen voor de berekening van de anciënniteit bedoeld in [de artikelen 6, 7, 23, 23bis, 31, § 1, 1° en 35, § 2].

Decr. 14-2-2003

[Art. 76bis.

§ 1. De personeelsleden die in het basisonderwijs aangesteld zijn als godsdienstleerkracht belast met islamitische godsdienst hebben tot 30 juni 2001 recht op de salarisschaal 121.

Deze personeelsleden worden met ingang van 1 september 2001 bezoldigd overeenkomstig de vigerende regelgeving.

§ 2. Aan de in § 1 bedoelde personeelsleden worden overgangsmaatregelen toegekend, voor zover zij tussen 1 september 1996 en 30 juni 2001 minimum zes maanden ononderbroken in dienst geweest zijn als godsdienstleerkracht belast met islamitische godsdienst.

Voor de toepassing van deze bepaling worden niet als dienstonderbreking beschouwd : de vakantieperioden, de loopbaanonderbreking, de militaire dienst, de perioden van wederoproeping, de ziekte-, bevallings- en borstvoedingsverloven, de verloven van korte duur met behoud van wedde(ntoelage) ter gelegenheid van sommige gebeurtenissen van familiale of sociale aard, alsook de verloven zonder behoud van wedde(ntoelage) voor een maximum duur van zes werkdagen per schooljaar, alsmede een periode van ten hoogste dertig kalenderdagen per schooljaar.

§ 3. De overgangsmaatregelen gelden voor het in § 1 bedoelde ambt en betreffen

1° de vroegere salarisschaal : de personeelsleden behouden hun vroegere salarisschaal, tenzij de salarisschaal vastgesteld krachtens de vigerende regelgeving hoger is;

2° de bekwaamheidsbewijzen : de personeelsleden die :

– gedurende de periode van dienstactiviteit bedoeld in § 1 voldeden aan de aanwervingsvoorwaarden inzake bekwaamheidsbewijzen gesteld door de ministeriële omzendbrief OND/III/3/PL van 10 augustus 1993;

– in het bezit zijn van een bewijs van pedagogische bekwaamheid in de zin van artikel 3bis, § 1, van het besluit van de Vlaamse regering van 26 september 1990 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de weddeschalen en de bezoldigingsregeling van de leermeesters godsdienst en godsdienstleraars [[of van een diploma van onderwijzer of van kleuteronderwijzer]];

– volgens de vigerende regelgeving geen vereist [[…]] bekwaamheidsbewijs hebben, worden geacht in het bezit te zijn van een vereist bekwaamheidsbewijs.

§ 4. [[De overgangsmaatregelen worden toegekend op 1 september 2001. De personeelsleden aangesteld vóór 1 september 2001, die voldoen aan de aanstellingsvoorwaarden inzake bekwaamheidsbewijzen gesteld door de ministeriële omzendbrief OND/III/3/PL van 10 augustus 1993, die op 1 september 2001 niet in het bezit zijn van een bewijs van pedagogische bekwaamheid, worden geacht in het bezit te zijn van een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs, vanaf de maand volgende op het behalen van dit bewijs van pedagogische bekwaamheid, op voorwaarde dat het bewijs van pedagogische bekwaamheid behaald werd binnen de drie jaar na de eerste aanstelling.]] ]

Decr. 13-7-2001; [[ ]] Decr. 14-2-2003

[§ 5. De vastbenoemde personeelsleden behouden deze overgangsmaatregelen zolang ze in dienst blijven in het onderwijs, het academisch onderwijs uitgezonderd.

De tijdelijke personeelsleden behouden deze overgangsmaatregelen zolang ze ononderbroken in dienst blijven in het onderwijs, het academisch onderwijs uitgezonderd, en gefinancierd of gesubsidieerd worden door de Vlaamse Gemeenschap. Voor de toepassing van deze bepaling worden niet als een onderbreking beschouwd : de vakantieperioden, de loopbaanonderbreking, de militaire dienst, de perioden van wederoproeping, de ziekte- en bevallingsverloven, de borstvoedingsverloven, de verloven van korte duur met behoud van wedde(ntoelage) voor een maximumduur van zes werkdagen per schooljaar, alsmede een onderbreking van een doorlopende periode van maximum twee kalenderjaren en de periode waarin het ambt van inspecteur wordt uitgeoefend.]

Decr. 14-2-2003

[Art. 76ter.

§ 1. De personeelsleden die in het gewoon en/of het buitengewoon secundair onderwijs aangesteld zijn als godsdienstleerkracht belast met islamitische godsdienst, hebben tot 30 juni 2001 recht op :

1° de salarisschaal 300 in de eerste graad en in de tweede graad van het beroepssecundair onderwijs;

2° de salarisschaal 384 in de tweede graad van het algemeen, technisch en kunstsecundair onderwijs en in de derde en vierde graad beroepssecundair onderwijs;

3° de salarisschaal 301 in de derde graad van het algemeen, technisch en kunstsecundair onderwijs;

4° de salarisschaal 300 in het buitengewoon secundair onderwijs, opleidingsvormen 1, 2 en 3;

5° dezelfde salarisschaal als in de overeenkomende graad en onderwijsvorm van het gewoon secundair onderwijs in opleidingsvorm 4 van het buitengewoon secundair onderwijs.

Deze personeelsleden worden met ingang van 1 september 2001 bezoldigd overeenkomstig de vigerende regelgeving.

§ 2. Aan de in § 1 bedoelde personeelsleden worden overgangsmaatregelen toegekend, voor zover zij tussen 1 september 1996 en 30 juni 2001 minimum zes maanden ononderbroken in dienst geweest zijn als godsdienstleerkracht belast met islamitische godsdienst.

Voor de toepassing van deze bepaling worden niet als dienstonderbreking beschouwd : de vakantieperioden, de loopbaanonderbreking, de militaire dienst, de perioden van wederoproeping, de ziekte-, bevallings- en borstvoedingsverloven, de verloven van korte duur met behoud van wedde(ntoelage) ter gelegenheid van sommige gebeurtenissen van familiale of sociale aard, alsook de verloven zonder behoud van wedde(ntoelage) voor een maximum duur van zes werkdagen per schooljaar, alsmede een periode van ten hoogste dertig kalenderdagen per schooljaar.

§ 3. De overgangsmaatregelen gelden voor het in § 1 bedoelde ambt en betreffen

1° de vroegere salarisschaal : de personeelsleden behouden hun vroegere salarisschaal, tenzij de salarisschaal vastgesteld krachtens de vigerende regelgeving hoger is;

2° de bekwaamheidsbewijzen : de personeelsleden die :

– gedurende de periode van dienstactiviteit bedoeld in § 1 voldeden aan de aanwervingsvoorwaarden inzake bekwaamheidsbewijzen gesteld door de ministeriële omzendbrief OND/III/3/PL van 10 augustus 1993;

– in het bezit zijn van een bewijs van pedagogische bekwaamheid in de zin van artikel 3bis, § 1, van het besluit van de Vlaamse regering van 26 september 1990 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de weddeschalen en de bezoldigingsregeling van de leermeesters godsdienst en godsdienstleraars of van een diploma van onderwijzer;

– volgens de vigerende regelgeving geen vereist [[…]] bekwaamheidsbewijs hebben, worden geacht in het bezit te zijn van een vereist bekwaamheidsbewijs.

§ 4. De overgangsmaatregelen worden toegekend op 1 september 2001.

De personeelsleden aangesteld vóór 1 september 2001, die voldoen aan de aanstellingsvoorwaarden inzake bekwaamheidsbewijzen gesteld door de ministeriële omzendbrief OND/III/3/PL van 10 augustus 1993, die op l september 2001 niet in het bezit zijn van een bewijs van pedagogische bekwaamheid, worden geacht in het bezit te zijn van een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs, vanaf de maand volgende op het behalen van dit bewijs van pedagogische bekwaamheid, op voorwaarde dat het bewijs van pedagogische bekwaamheid behaald werd binnen de drie jaar na de eerste aanstelling.

§ 5. De vastbenoemde personeelsleden behouden deze overgangsmaatregelen zolang ze in dienst blijven in het onderwijs, het academisch onderwijs uitgezonderd.

De tijdelijke personeelsleden behouden deze overgangsmaatregelen zolang ze ononderbroken in dienst blijven in het onderwijs, het academisch onderwijs uitgezonderd, en gefinancierd of gesubsidieerd worden door de Vlaamse Gemeenschap. Voor de toepassing van deze bepaling worden niet als een onderbreking beschouwd : de vakantieperioden, de loopbaanonderbreking, de militaire dienst, de perioden van wederoproeping, de ziekte- en bevallingsverloven, de borstvoedingsverloven, de verloven van korte duur met behoud van wedde(ntoelage) voor een maximumduur van zes werkdagen per schooljaar, alsmede een onderbreking van een doorlopende periode van maximum twee kalenderjaren en de periode waarin het ambt van inspecteur wordt uitgeoefend.]

Decr. 13-7-2001; [[ ]] Decr. 14-2-2003

[Art. 76quater.

Onverminderd de krachtens artikel 146 van de Grondwet door de wet georganiseerde rechtsbescherming zijn de wedden en de weddentoelagen die op basis van diensten gepresteerd in de periode van 1 september 1975 tot 31 augustus 2001 werden uitgekeerd aan godsdienstleerkrachten belast met islamitische godsdienst in het gewoon en buitengewoon basisonderwijs en het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs in hoofde van deze personeelsleden definitief verworven.

Voormelde diensten komen in aanmerking voor de berekening van de geldelijke anciënniteit indien zij voldoen aan de bepalingen van artikel 16 van het koninklijk besluit van 15 april 1958 houdende bezoldigingsregeling van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het ministerie van Openbaar Onderwijs.]

Decr. 13-7-2001

Art. 77.

[§ 1.] Voor de toepassing van [de artikelen 6, 7, 23, 23bis, 31, § 1, 1° , 35, § 2 en artikel 40, § 3], worden de diensten, gepresteerd door personeelsleden die voldoen aan de door dit decreet gestelde voorwaarden in één van de in artikel 4, § 1, a bedoelde categorieën voor het van kracht worden van dit decreet in een niet-gesubsidieerde betrekking eveneens in aanmerking genomen voor zover deze diensten gepresteerd werden na 1 september 1985.

Decr. 14-2-2003

[§ 2. Voor het gewoon secundair onderwijs komen de diensten die een personeelslid vanaf 1 september 1999 heeft gepresteerd voor de toepassing van artikel 23, § 3, en 23bis, § 3, als volgt in aanmerking :

a) voor een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in een instelling die niet behoort tot een scholengemeenschap : alle prestaties verstrekt in instellingen van de inrichtende macht die de betrokken instelling beheert en die niet tot een scholengemeenschap behoren;

b) voor een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in een scholengemeenschap : alle prestaties verstrekt in de betrokken scholengemeenschap en dit ongeacht het net waartoe de instellingen waarin deze prestaties werden verricht, behoren.

De prestaties verricht vóór 1 september 1999 komen, onverminderd de toepassing van artikel 76, § 3, voor de berekening van deze anciënniteit als volgt in aanmerking :

a) voor een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in een instelling die niet behoort tot een scholengemeenschap : alle prestaties verstrekt in instellingen van de inrichtende macht die de betrokken instelling beheert;

b) voor een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in een scholengemeenschap : alle prestaties verstrekt in instellingen die vanaf 1 september 1999 tot de betrokken scholengemeenschap behoren en alle prestaties verstrekt in andere instellingen van de inrichtende macht bij wie men zijn kandidatuur stelt.

§ 3. In het gewoon secundair onderwijs komen de prestaties geleverd vóór 1 september 1999, onverminderd de bepalingen van artikel 76, § 3, voor de berekening van de 720 dagen dienstanciënniteit vermeld in artikel 31, § 1, 1°, als volgt in aanmerking :

a) voor een vaste benoeming in een instelling die niet behoort tot een scholengemeenschap : alle prestaties verstrekt in instellingen van de inrichtende macht die de betrokken instelling beheert;

b) voor een vaste benoeming in een scholengemeenschap : alle prestaties verstrekt in instellingen die vanaf 1 september 1999 tot de betrokken scholengemeenschap behoren en alle prestaties verstrekt in andere instellingen van de inrichtende macht bij wie men zijn kandidatuur stelt.

§ 4. Voor de toepassing van artikel 23 worden de prestaties die een personeelslid vóór 1 september 2000 heeft geleverd in een gesubsidieerd PMS- of MST-centrum eveneens in aanmerking genomen.

Deze diensten worden tot en met 31 augustus 2003 geacht verworven te zijn bij de CLB’s van de inrichtende macht waar het personeelslid kandideert voor een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur en in het na concordantie overeenstemmende ambt met toepassing van artikel 182 van het decreet van 1 december 1998 betreffende de centra voor leerlingenbegeleiding.

§ 5. Voor de toepassing van artikel 23 wordt de dienstanciënniteit van de tijdelijke personeelsleden die namens de officieel gesubsidieerde centra of de vrij gesubsidieerde centra deel uitmaken van de stuurgroep bedoeld in de artikelen 199 tot en met 204 van het decreet van 1 december 1998 betreffende de centra voor leerlingenbegeleiding, geacht te zijn verworven en effectief gepresteerd in alle CLB’s van de inrichtende macht waar het personeelslid werd toegewezen vanaf 1 september 2000.

§ 6. Voor de toepassing van artikel 23, § 3, worden de personeelsleden die in toepassing van artikel 188 van het decreet van 1 december 1998 betreffende de centra voor leerlingenbegeleiding werden overgedragen naar een CLB, geacht gekandideerd te hebben voor een aanstelling van doorlopende duur in het schooljaar 2000-2001 en dit in het CLB en in het ambt van toewijzing.

Voor de toepassing van artikel 31 worden de personeelsleden die in toepassing van artikel 188 van het decreet van 1 december 1998 betreffende de centra voor leerlingenbegeleiding werden overgedragen naar een CLB, geacht gekandideerd te hebben voor een vaste benoeming op 1 januari 2001 en dit in het CLB en in het ambt van toewijzing.

§ 7. De personeelsleden die op 1 september 2000 werden overgedragen met toepassing van artikel 188 van het decreet van 1 december 1998 betreffende de centra voor leerlingenbegeleiding in het ambt van arts en die met ingang van 1 september 2000 het ambt van directeur bij mandaat uitoefenen, worden geacht te voldoen aan de voorwaarden inzake vaste benoeming bedoeld in artikel 31, § 1, 4°, van dit artikel en dit voor wat betreft de betrekking waarin ze op 1 september 2000 werden toegewezen.]

Decr. 14-2-2003

[§ 8. Voor het basisonderwijs komen de diensten die een personeelslid vanaf 1 september 2005 heeft gepresteerd voor de toepassing van artikel 23, § 3, en 23bis, § 3, als volgt in aanmerking :

a) voor een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in een instelling die niet behoort tot een scholengemeenschap : alle prestaties verstrekt in instellingen van de inrichtende macht die de betrokken instelling beheert en die niet tot een scholengemeenschap behoren;

b) voor een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in een scholengemeenschap : alle prestaties verstrekt in de betrokken scholengemeenschap en dit ongeacht het net waartoe de instellingen waarin deze prestaties werden verricht, behoren.

De prestaties verricht vóór 1 september 2005 komen voor de berekening van deze anciënniteit als volgt in aanmerking :

a) voor een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in een instelling die niet behoort tot een scholengemeenschap : alle prestaties verstrekt in instellingen van de inrichtende macht die de betrokken instelling beheert;

b) voor een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in een scholengemeenschap : alle prestaties verstrekt in instellingen die vanaf 1 september 2005 tot de betrokken scholengemeenschap behoren en alle prestaties verstrekt in andere instellingen van de inrichtende macht bij wie men zijn kandidatuur stelt.

§ 9. Voor het basisonderwijs komen de prestaties geleverd vóór 1 september 2005 voor de berekening van de 720 dagen dienstanciënniteit vermeld in artikel 31, § 1, 1°, als volgt in aanmerking :

– voor een vaste benoeming in een instelling die niet behoort tot een scholengemeenschap : alle prestaties verstrekt in instellingen van de inrichtende macht die de betrokken instelling beheert;

– voor een vaste benoeming in een scholengemeenschap : alle prestaties verstrekt in instellingen die vanaf 1 september 2005 tot de betrokken scholengemeenschap behoren en alle prestaties verstrekt in andere instellingen van de inrichtende macht bij wie men zijn kandidatuur stelt.]

Decr. 10-7-2003

Art. 78.

§ 1. Onverminderd – wat de personeelsleden van het hoger onderwijs van het korte type betreft – de toepassing van artikel 17, § 4, tweede, derde en vierde lid van voornoemde wet van 7 juli 1970 worden de bekwaamheidsbewijzen die tot aan de inwerkingtreding van dit decreet door of krachtens de wet en het decreet vereist of voldoend of gelijkwaardig geacht werden, beschouwd als bekwaamheidsbewijzen bedoeld in dit decreet.

[…]

Decr. 14-2-2003

§ 2. Voor de toepassing van de in artikel 23, § 1, 1° en 2° , en artikel 35, § 2, bedoelde voorrang op de personeelsleden van het hoger onderwijs van het korte type en van het hoger kunstonderwijs, worden de diensten enkel in aanmerking genomen voor zoverre zij werden gepresteerd in het ambt, en voor een ambt van leraar in het vak, waarvoor een beroep wordt gedaan op de voorrang. Personeelsleden, van het hoger onderwijs van het korte type aan wie in toepassing van artikel 17, § 4, 2, 3° en 4° lid van de wet van 7 juli 1970, een in de tijd beperkte vrijstelling op de vereiste bekwaamheidsbewijzen werd toegestaan, kunnen geen aanspraak maken op voorrang bedoeld in artikel 23, § 1, 1° en 2° en artikel 35, § 2.

Art. 79.

[…]

Decr. 14-2-2003

Art. 80.

In afwijking op [artikel 5, 11° ,] en in afwachting dat voor het normaalonderwijs en het middelbaar technisch normaalonderwijs uitvoering wordt verleend aan artikel 10, afdeling 2, van de wet van 7 juli 1970 worden voor de toepassing van dit decreet de selectieambten van het onderwijzend personeel in deze onderwijssectoren als wervingsambten gerangschikt.

Decr. 28-4-1993

Art. 81.

Op het ogenblik dat ter uitvoering van het artikel 16, § 2, van de wet van 7 juli 1970 betreffende de algemene structuur van het hoger onderwijs, de onderwijsinstellingen van het hoger kunstonderwijs worden ingedeeld onder het hoger onderwijs van het lange type en op het ogenblik dat de rechtspositieregeling voor de personeelsleden van deze onderwijsinstellingen van kracht wordt, worden deze onderwijsinstellingen en hun personeelsleden onttrokken aan het toepassingsgebied van titel II.

Art. 82.

In afwachting dat er een statuut voor de personeelsleden van de instellingen van het hoger onderwijs van het lange type wordt uitgevaardigd zijn de bepalingen van titel II van toepassing op de administratieve personeelsleden van deze onderwijsinstellingen.

[In afwijking van artikel 37 gelden voor de toegang tot de bevorderingsambten van deze personeelsleden eveneens de artikelen 38, 39, 40, § 3 en § 4, en 42.]

Decr. 28-4-1993

Art. 83.

In artikel 9 van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving worden de volgende wijzigingen aangebracht :

1° in het tweede lid worden de woorden … geschrapt;

2° in het [derde] lid worden de woorden … vervangen door de woorden …

Decr. 28-4-1993

Art. 84.

In dezelfde wet wordt artikel 28, § 1, 5° , opgeheven.

[Art. 84bis.

[[§ 1. De bepalingen inzake functiebeschrijving gelden vanaf 1 september 2007.

§ 2. De bepalingen inzake evaluatie gelden voor de personeelsleden van het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs, het volwassenenonderwijs en de CLB’s vanaf 1 september 2007. Voor de personeelsleden van het basisonderwijs, het deeltijds kunstonderwijs, de tehuizen voor kinderen wier ouders geen vaste verblijfplaats hebben en de internaten gelden ze vanaf 1 september 2009.]] ]

Decr. 1-2-1998; [[ ]] Decr. 13-7-2007

[Art. 84ter.

[[…]]²

Art. 84quater.

[[In het buitengewoon secundair onderwijs, met uitzondering van de internaten, kunnen vanaf het schooljaar 2006-2007 geen personeelsleden meer tijdelijk worden aangesteld of worden vast benoemd in betrekkingen in de categorie van het opvoedend hulppersoneel of het administratief personeel.]]²

Art. 84quinquies.

[[§ 1. De personeelsleden die op 30 juni 2006 vast benoemd zijn, ter beschikking gesteld zijn wegens ontstentenis van betrekking of tijdelijk aangesteld zijn in een vacante betrekking in een ambt in de categorie van het opvoedend hulppersoneel, worden, mits inachtneming van titel XI – Ondersteunend personeel van het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs, met ingang van 1 september 2006 geconcordeerd naar het ambt van opvoeder. Die concordantie is persoonsgebonden. De concordantie heeft geen gevolgen voor de geldelijke en administratieve rechtspositie van het personeelslid.

§ 2. De personeelsleden die op 30 juni 2006 vast benoemd zijn, ter beschikking gesteld zijn wegens ontstentenis van betrekking of tijdelijk aangesteld zijn in een vacante betrekking in een ambt in de categorie van het administratief personeel, worden, mits inachtneming van titel XI – Ondersteunend personeel van het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs, met ingang van 1 september 2006 geconcordeerd naar het ambt van administratief medewerker. Die concordantie is persoonsgebonden. De concordantie heeft geen gevolgen voor de geldelijke en administratieve rechtspositie van het personeelslid.

§ 3. Van de concordantie, vermeld in §§ 1 en 2 kan mits wederzijds akkoord tussen inrichtende macht en betrokken personeelslid worden afgeweken. De afwijking kan enkel op 1 september 2006 worden toegepast en de concordantie is eveneens persoonsgebonden. Het personeelslid volgt vervolgens de geldelijke en administratieve rechtspositie die verbonden is aan het ambt waarnaar hij als gevolg van de afwijking wordt geconcordeerd. Bij de toepassing van deze paragraaf moet de inrichtende macht steeds rekening houden met artikel 95 van het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs.

§ 4. Het personeelslid behoudt bij de concordantie steeds de salarisschaal die hij genoot op 30 juni 2006 en de daarmee overeenstemmende puntenwaarde, zoals bepaald in artikel 97 van voormeld decreet van 14 juli 1998.

§ 5. Het personeelslid dat op het ogenblik van de concordantie, vermeld in §§ 1 en 2, met toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 april 1994 betreffende de deeltijdse terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen voor personeelsleden van het onderwijs en van de psychomedisch-sociale centra of van het besluit van de Vlaamse Regering van 11 februari 2000 betreffende de volledige terbeschikkingstellling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen, ter beschikking gesteld is in een ambt van het opvoedend hulppersoneel of van het administratief personeel, wordt beschouwd als zijnde ambtshalve geconcordeerd zoals vermeld in §§ 1 en 2.]]²

Art. 84sexies.

[[§ 1. Een tijdelijk personeelslid kan vrijwillig afstand doen van de in artikel 84quinquies vastgelegde concordantie. Deze vrijwillige afstand is eenmalig en is onomkeerbaar.

§ 2. De in artikel 84quinquies vastgelegde concordantie eindigt voor een tijdelijk personeelslid van rechtswege als het personeelslid gedurende een ononderbroken periode van twee kalenderjaren niet in het onderwijs is tewerkgesteld. Voor de toepassing van deze bepaling worden niet als onderbreking beschouwd : de vakantieperioden, de militaire dienst en de perioden van wederoproeping, de ziekte- en bevallingsverloven, de borstvoedingsverloven, de verloven van korte duur met behoud van wedde(toelage) ter gelegenheid van sommige gebeurtenissen van familiale of sociale aard, de loopbaanonderbreking en de verloven zonder behoud van wedde(toelage) voor een maximumduur van 6 werkdagen per schooljaar.

§ 3. De in artikel 84quinquies vastgelegde concordantie eindigt voor een vastbenoemd personeelslid van rechtswege bij ontslag uit het onderwijs of ingevolge een bevordering in een ambt van het ondersteunend personeel in toepassing van artikel 44.]]¹

Art. 84septies.

[[…]]¹

Art. 84octies.

De Vlaamse regering kan maatregelen nemen ter uitvoering van de overgangsbepalingen inzake ondersteunend, administratief en opvoedend hulppersoneel.]

Decr. 14-7-1998; [[ ]]¹ Decr. 14-2-2003; [[ ]]² Decr. 7-7-2006

[Art. 84novies.

De artikelen 84ter tot en met 84octies zijn niet van toepassing op de PMS-centra en op de CLB’s.]

Decr. 1-12-1998

[Art. 84decies.

§ 1. Voor de personeelsleden die in juni 2003 in dienst zijn in een gesubsidieerde instelling van het basisonderwijs als gesubsidieerd contractueel personeelslid, als contractueel personeelslid ten laste van het departement onderwijs of als contractueel personeelslid zoals bedoeld in artikel 154, § 1, van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs, worden de diensten gepresteerd als contractueel personeelslid in een administratieve functie in een gesubsidieerde instelling van het basisonderwijs, beschouwd als dienstanciënniteit zoals bepaald in artikelen 6, 23, 23bis, 31, 35, 74 en 77. Deze diensten worden beschouwd alsof zij gepresteerd werden in het ambt van administratief medewerker in de personeelscategorie van het beleids- en ondersteunend personeel in het basisonderwijs.

Een personeelslid kan op basis van deze diensten een dienstanciënniteit van maximaal 720 dagen verwerven. De beperking tot 720 dagen geldt niet voor de toepassing van artikel 44, § 2bis.

De bepalingen van deze paragraaf zijn niet van toepassing op het contractueel personeelslid dat vóór juni 2003 werd ontslagen, tenzij dit personeelslid na dit ontslag opnieuw wordt aangeworven door het schoolbestuur dat het ontslag heeft gegeven.

§ 2. Voor de personeelsleden die in juni 2003 in dienst zijn als contractueel personeelslid ten laste van het departement onderwijs in een gesubsidieerde instelling van het basisonderwijs of secundair onderwijs, worden de diensten gepresteerd als contractueel personeelslid in een ambt van het onderwijzend, opvoedend of paramedisch, medisch, sociaal, psychologisch en orthopedagogisch personeel in een gesubsidieerde instelling van het basisonderwijs of secundair onderwijs beschouwd als dienstanciënniteit zoals bepaald in artikelen 6, 23, 23bis, 31, 35, 74 en 77. Deze diensten worden beschouwd alsof zij gepresteerd werden in het betrokken ambt of in het ambt van beleidsmedewerker in de personeelscategorie van het beleids- en ondersteunend personeel in het basisonderwijs.

Het personeelslid kan op basis van deze diensten een dienstanciënniteit van maximaal 720 dagen verwerven.

De bepalingen van deze paragraaf zijn niet van toepassing op het contractueel personeelslid dat vóór juni 2003 werd ontslagen, tenzij dit personeelslid na dit ontslag opnieuw wordt aangeworven door het schoolbestuur dat het ontslag heeft gegeven.

§ 3. Diensten gepresteerd door de personeelsleden die ter beschikking zijn gesteld wegens ontstentenis van betrekking en die wedertewerkgesteld zijn als administratieve medewerker in het basisonderwijs, worden, mits instemming van het schoolbestuur, beschouwd als dienstanciënniteit zoals bepaald in artikelen 6, 23, 23bis, 31, 35, 74 en 77, met dien verstande dat een personeelslid op basis van deze diensten een dienstanciënniteit van maximaal 720 dagen kan verwerven. Deze diensten worden beschouwd alsof zij gepresteerd werden in het ambt van administratief medewerker in de personeelscategorie van het beleids- en ondersteunend personeel in het basisonderwijs.

§ 4. In afwijking van de bepalingen van hoofdstuk III, en onverminderd de bepalingen van artikel 36quinquies, § 3, deelt de inrichtende macht vóór 15 oktober 2003 aan de personeelsleden die de voorwaarden voor vaste benoeming vervullen de vacante betrekkingen mee van administratief medewerker of beleidsmedewerker, die kunnen worden ingericht op basis van de puntenenveloppe zoals bedoeld in hoofdstuk IX, afdeling IIIbis van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs. De vacante betrekkingen worden vastgesteld in functie van de toestand op 15 september 2003. In een vacante betrekking die op deze wijze werd meegedeeld, kan op 1 januari 2004 worden vastbenoemd.

§ 5. Voor de personeelsleden die in juni 2003 in dienst zijn als contractueel personeelslid ten laste van het departement onderwijs in een gesubsidieerd CLB, worden de diensten gepresteerd als contractueel personeelslid in een ambt van het technisch of het administratief personeel in een gesubsidieerd CLB beschouwd als dienstanciënniteit zoals bepaald in artikelen 6, 23, 23ter, 31, 31ter, 35, 74 en 77. Deze diensten worden beschouwd alsof zij gepresteerd werden in het betrokken ambt. Het personeelslid kan op basis van deze diensten een dienstanciënniteit van maximaal 720 dagen verwerven. De bepalingen van deze paragraaf zijn niet van toepassing op het contractueel personeelslid dat vóór juni 2003 werd ontslagen, tenzij dit personeelslid na dit ontslag opnieuw wordt aangeworven door het centrumbestuur dat het ontslag heeft gegeven.

§ 6. In afwijking van de bepalingen van de artikelen 23, 23bis, 23ter en 84undecies, kan het personeelslid bedoeld in § 1, § 2, § 3 en § 5 dat een beroep wenst te doen op het recht van een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur, op straffe van verlies van zijn recht voor schooljaar 2003-2004, vóór 15 augustus 2003 bij het schoolbestuur of centrumbestuur, kandideren met een ter post aangetekende brief.]

Decr. 10-7-2003

[§ 7. Voor de personeelsleden die in juni 2003 in dienst zijn als contractueel personeelslid ten laste van het departement Onderwijs in een gesubsidieerde instelling van het deeltijds kunstonderwijs of van het volwassenenonderwijs, worden de diensten gepresteerd als contractueel personeelslid ten laste van het departement Onderwijs in een ambt van een personeelscategorie van het deeltijds kunstonderwijs of volwassenenonderwijs beschouwd als dienstanciënniteit zoals bepaald in de artikelen 6, 23, 31, 35, 74 en 77. Deze diensten worden beschouwd alsof zij gepresteerd werden in het overeenkomstig ambt.

Het personeelslid kan op basis van deze diensten een dienstanciënniteit van maximaal 720 dagen verwerven.

De bepalingen van deze paragraaf zijn niet van toepassing op het contractueel personeelslid dat vóór juni 2003 werd ontslagen, tenzij dit personeelslid na dit ontslag opnieuw wordt aangeworven door de scholengroep die het ontslag heeft gegeven.

§ 8. Diensten als contractueel personeelslid ten laste van het departement Onderwijs die gepresteerd zijn door de personeelsleden die in de maand juni 2004 tewerkgesteld zijn als contractueel personeelslid ten laste van het departement Onderwijs bij een representatieve vereniging van inrichtende machten van het gesubsidieerd officieel onderwijs, het gesubsidieerd vrij confessioneel onderwijs of het gesubsidieerd vrij niet-confessioneel onderwijs, worden mits instemming van de inrichtende macht en het akkoord van het bevoegd lokaal comité, beschouwd als dienstanciënniteit zoals bepaald in de artikelen 6, 23, 23bis, 31, 35, 74 en 77, met dien verstande dat een personeelslid op basis van deze diensten een dienstanciënniteit van maximaal 720 dagen kan verwerven.

Deze diensten worden in dat geval beschouwd als zijnde gepresteerd bij de betrokken inrichtende macht. De inrichtende macht beslist voor welk ambt deze diensten in aanmerking komen. Als de inrichtende macht de diensten in aanmerking laat komen voor het ambt van administratief medewerker in het beleids- en ondersteunend personeel of het ambt van administratief medewerker in het ondersteunend personeel, geldt de beperking van 720 dagen dienstanciënniteit niet voor de toepassing van artikel 44, §§ 1, 2 of 2bis.]

Decr. 7-5-2004

[Art. 84undecies.

In afwijking van artikel 23 moet het personeelslid dat een beroep wenst te doen op het recht op tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in een instelling van het basisonderwijs of het deeltijds kunstonderwijs, vóór 15 juni bij de inrichtende macht kandideren met een ter post aangetekende brief. Deze kandidaatstelling geldt voor alle betrekkingen waarvoor het recht werd verworven.]

Decr. 10-7-2003

[Art. 84duodecies.

Onverminderd de bepalingen van dit decreet en in afwijking op artikel 30 en artikel 33, § 1, laatste lid, kan een inrichtende macht eenmalig op 1 september 2004 een vaste benoeming uitspreken in een betrekking die wordt ingericht in uren-leraar, lesuren of lestijden die worden toegekend in het kader van het geïntegreerd onderwijs in het basis- en secundair onderwijs en het onthaalonderwijs voor anderstalige nieuwkomers in het gewoon basis- en secundair onderwijs.

Deze vaste benoeming kan slechts worden uitgesproken als de inrichtende macht de reglementering inzake terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, reaffectatie en wedertewerkstellingen heeft nageleefd tot op het niveau van de instelling waar de vaste benoeming wordt uitgesproken.]

Decr. 7-5-2004

[Art. 84terdecies.

§ 1. De prestaties die een personeelslid tussen 1 september 2002 en 31 augustus 2006 geleverd heeft in de specifieke uren-leraar onthaalonderwijs die gebruikt werden voor lesuren Nederlands, vermeld in artikel 5 van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 mei 2002 inzake de organisatie van onthaalonderwijs voor anderstalige nieuwkomers in het gewoon secundair onderwijs, kunnen beschouwd worden als gepresteerd in het algemeen vak Nederlands voor nieuwkomers. Hiertoe pleegt de inrichtende macht of haar afgevaardigde overleg met ieder van de betrokken personeelsleden.

Als de inrichtende macht of haar afgevaardigde en een personeelslid overeenkomen dat de verrichte prestaties beschouwd worden als prestaties in het algemeen vak Nederlands voor nieuwkomers, dan wordt een individueel concordantieformulier opgesteld. Dit formulier, waaruit ook gedetailleerd blijkt welke prestaties beschouwd worden als prestaties in het algemeen vak Nederlands voor nieuwkomers, wordt ondertekend door de inrichtende macht of haar afgevaardigde en door het betrokken personeelslid. De concordantie heeft dan uitwerking met ingang van 1 september 2006 en moet ingediend worden ten laatste op 15 september 2006. De concordantie is persoonsgebonden en eenmalig.

§ 2. Als de inrichtende macht of haar afgevaardigde en een personeelslid ter zake geen overeenkomst bereiken, dan deelt de inrichtende macht of haar afgevaardigde de reden hiervan schriftelijk mee aan het betrokken personeelslid. Het personeelslid kan dan bij de Commissie Bezwaarschriften, hierna commissie genoemd, tot uiterlijk twintig kalenderdagen nadat de beslissing van de inrichtende macht hem werd meegedeeld een gemotiveerd bezwaarschrift neerleggen. Het personeelslid kan zich ook tot de commissie wenden als de inrichtende macht nalaat om een beslissing te nemen. In dat geval dient het bezwaarschrift uiterlijk op 5 oktober bij de commissie ingediend te worden.

Dat bezwaarschrift houdt in dat het personeelslid een eigen voorstel indient tot concordantie naar het algemeen vak Nederlands voor nieuwkomers op grond van § 1 of dat het personeelslid een voorstel indient om geen concordantie te verkrijgen.

De commissie hoort de betrokken partijen. Ze houdt bij haar uitspraak eveneens rekening met de bepalingen van § 1.

Als de commissie het bezwaarschrift van het betrokken personeelslid niet aanvaardt, is de door de inrichtende macht gemaakte keuze in hoofde van het personeelslid bindend en definitief vanaf 1 september 2006.

Als de commissie het bezwaarschrift van het betrokken personeelslid aanvaardt, is deze beslissing ten aanzien van de inrichtende macht bindend en definitief vanaf 1 september 2006.

De commissie bestaat uit de administrateur-generaal van het Agentschap voor Onderwijsdiensten of zijn afgevaardigde en de bevoegde leden van het college van inspecteurs-generaal of hun afgevaardigden.

§ 3. De individuele concordantie bedoeld in § 1 heeft voor gevolg dat :

1° de diensten, gepresteerd in de specifieke uren-leraar onthaalonderwijs die gebruikt werden voor lesuren Nederlands, worden geacht ook te zijn gepresteerd in het algemeen vak Nederlands voor nieuwkomers;

2° voor personeelsleden die vast benoemd zijn, de draagwijdte van hun vaste benoeming zoals bedoeld in artikel 40bis, § 1, wordt uitgebreid met het algemeen vak Nederlands voor nieuwkomers;

3° het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in de specifieke uren-leraar onthaalonderwijs die gebruikt werden voor lesuren Nederlands, wordt geacht ook te zijn verworven voor het algemeen vak Nederlands voor nieuwkomers;

4° een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur verworven voor de specifieke uren-leraar onthaalonderwijs die gebruikt werden voor lesuren Nederlands, ook geldt voor het algemeen vak Nederlands voor nieuwkomers;

5° een reaffectatie of wedertewerkstelling in de specifieke uren-leraar onthaalonderwijs die gebruikt werden voor lesuren Nederlands, ook blijft gelden als reaffectatie of wedertewerkstelling in het algemeen vak Nederlands voor nieuwkomers.

§ 4.De kandidaatstellingen die in toepassing van dit decreet plaatsvonden voor de specifieke uren-leraar onthaalonderwijs voor het schooljaar 2006-2007, worden – waar nodig – geacht gebeurd te zijn voor het algemeen vak Nederlands voor nieuwkomers.

§ 5. In afwijking van artikel 33, § 1, deelt de inrichtende macht tijdens het schooljaar 2006-2007 de vacante betrekkingen in de specifieke uren-leraar onthaalonderwijs mee na 15 september 2006 en vóór 15 oktober 2006.

De vacante betrekkingen worden vastgesteld op basis van de toestand op 15 september 2006. De vacante betrekkingen in de specifieke uren-leraar onthaalonderwijs die werden meegedeeld vóór 15 mei 2006 op basis van de toestand op 15 april 2006, hebben geen uitwerking.]

Decr. 7-7-2006

TITEL III. – Andere bepalingen

Art. 85.

§ 1. Artikel 51 van de wetten op het lager onderwijs, gecoördineerd op 20 augustus 1957, opgeheven door de wet van 14 juli 1975 wordt opnieuw opgenomen in de volgende lezing : …

§ 2. De artikelen 24, 25 en 26 van dezelfde gecoördineerde wetten, zoals later gewijzigd, worden opgeheven.

§ 3. Artikel 27 van dezelfde gecoördineerde wetten wordt vervangen door de volgende bepaling : …

§ 4. In artikel 28 van dezelfde gecoördineerde wetten worden de volgende wijzigingen aangebracht :

1° het vijfde lid wordt vervangen door het volgend lid : …

2° het zesde lid wordt opgeheven.

Art. 86.

In artikel 10, § 4, laatste streepje van het koninklijk besluit van 30 juli 1975 betreffende de voldoend geachte bekwaamheidsbewijzen in de gesubsidieerde inrichtingen voor secundair technisch en beroepsonderwijs met volledig leerplan en voor sociale promotie worden de woorden … vervangen door de woorden …

Art. 87.

In artikel 8 van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving, gewijzigd door de wetten van 14 juli 1975 en 20 februari 1978 en het decreet van 5 juli 1989 worden tussen de woorden “israëlitische” en “islamitische” het woord “anglicaanse” ingevoegd.

Art. 88.

De bepalingen van de rubrieken A en B, punt 4 van de omzendbrief van 11 september 1978, ref. III/GP/RD/WW/VDH betreffende de prestaties van het onderwijzend, opvoedend hulppersoneel en paramedisch personeel van de onderwijsinrichtingen voor buitengewoon onderwijs, zoals gewijzigd bij de omzendbrief van 2 februari 1984 betreffende dezelfde aangelegenheid, worden bekrachtigd. De bepalingen van de hoofdstukken I, II en IV van de omzendbrief van 10 juli 1985, ref. B4/42/S27

(voetnoot 1)

betreffende de prestaties van het personeel, de klasseraad en klassedirectie en de bijscholing in het buitengewoon onderwijs [worden bekrachtigd], behalve :

Decr. 8-7-1996

– de bepalingen van de rubrieken 4.1.1., 4.1.2. en 4.2.2.3.1., litt. C die worden bekrachtigd tot 31 augustus 1986;

– de bepalingen van de rubrieken 3.2. en 4.2.2.3. die worden bekrachtigd tot 31 augustus 1989.

De Vlaamse Regering kan deze bepalingen geheel of gedeeltelijk opheffen.

Art. 89.

In artikel 199 van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs-II worden de volgende wijzigingen aangebracht :

1° in het eerste lid worden de woorden “en buiten” vervangen door de woorden “of buiten”;

2° het tweede lid wordt vervangen door de volgende bepaling : …

Art. 90.

Dit decreet treedt in werking de eerste dag van de maand volgend op de publikatie ervan in het Belgisch Staatsblad met uitzondering van :

– artikel 85 dat uitwerking heeft vanaf 1 september 1990;

– artikel 86 dat uitwerking heeft vanaf 1 september 1971.

– (1): Opgeheven, voor zover het betrekking heeft op de hogescholen (B.Vl.R. 9-5-1996; Art. 2, 37° )

– (2): Met ingang van 1 februari 1998 heeft de vaste benoeming, bedoeld in artikel 33, § 3, eerste lid, terug uitwerking ten aanzien van de overheid. (B.Vl.R. 9-3-1999; Art. 2)

– (1): Opgeheven, voor zover het betrekking heeft op de hogescholen (B.Vl.R. 9-5-1996; Art. 2, 37° )